De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het medeplegen van mensensmokkel door het vervoeren van vijf vreemdelingen met een illegale verblijfsstatus in een bestelbus richting Groot-Brittannië. Het hof sprak de verdachte deels vrij ten aanzien van drie personen waarvan niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat hun verblijf of doorreis wederrechtelijk was.
De bewezenverklaring richtte zich op het faciliteren van de doorreis en het verblijf van vijf personen zonder rechtmatige verblijfsstatus, waaronder minderjarigen, die verstopt zaten in de laadruimte van een bestelbus. De verdachte was bestuurder en handelde samen met medeverdachten die tickets voor de ferry hadden aangeschaft.
Het hof oordeelde dat sprake was van nauwe en bewuste samenwerking en dat de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat het verblijf en de doorreis wederrechtelijk waren. De omstandigheden waaronder de mensensmokkel plaatsvond waren onveilig en de verdachte handelde uit winstbejag.
Gezien de ernst van het feit, de meervoudige pleging, de kwetsbaarheid van de gesmokkelde personen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, legde het hof een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht.