ECLI:NL:GHDHA:2020:708
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing uitvoerbaarverklaring omgangsregeling minderjarige
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de voorzieningenrechter inzake een voorlopige omgangsregeling tussen de man en hun minderjarige kind. De vrouw vordert in een incident de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis, stellende dat omgang ernstig nadeel oplevert voor het kind.
Het hof overweegt dat de vrouw wel belang heeft bij schorsing, maar dat er geen sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in het bestreden vonnis. Het belang van de man bij uitvoering van de omgangsregeling weegt zwaarder dan het belang van de vrouw bij schorsing. De raad voor de kinderbescherming adviseert een begeleide omgang en ziet geen veiligheidsrisico.
Het hof wijst daarom de vordering tot schorsing af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere behandeling in de bodemprocedure.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring van de omgangsregeling af.