Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 28 januari 2020
Residence Amsterdam B.V.,
De procedure in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
Kerngegevens huurovereenkomst
Verlenging: aansluitende perioden van telkens 5 jaar
HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE
en andere bedrijfsruimte niet ex artikel 7A:1624 BW
Duur, verlenging en opzegging
voortgezet voor aansluitende perioden van telkens 5 jaar, derhalve tot en met 31 mei 2023”. Uit artikel 3.2, gelezen in samenhang met de overige bepalingen van de overeenkomst, volgt ondubbelzinnig dat de overeenkomst niet eindigt op 31 mei 2018, maar daarna “
wordt (…) voortgezet”. Partijen zijn aldus afgeweken van artikel 228, eerste lid BW voor zover daarin is bepaald dat een huurovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt na het verstrijken van die tijd. De uitleg van de overeenkomst door de kantonrechter, die erop neerkomt dat de overeenkomst alleen wordt voortgezet “
bij stilzitten van partijen” en dat de verhuurder voortzetting kan voorkomen door tegen het einde van de eerste termijn op 31 mei 2018 ontruiming aan te zeggen, vindt geen steun in de tekst van de overeenkomst. Noch uit artikel 3.2 noch uit een andere bepaling van de huurovereenkomst volgt dat de overeenkomst na 31 mei 2018 alleen wordt voortgezet bij stilzitten van partijen. De verhuurder kan de in artikel 3.2 voorziene voortzetting dus niet voorkomen door niet stil te zitten en op te zeggen.
(…) derhalve tot en met 31 mei 2023”). Verder volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5525 dat ook in het geval de verhuurder een huurovereenkomst niet kan opzeggen, kan worden aangenomen dat een huurovereenkomst een tijdelijk karakter heeft, zolang zij nog wel door de huurder kan worden opgezegd en door de verhuurder kan worden ontbonden als de huurder zijn verplichtingen niet nakomt. Die beide mogelijkheden bestaan in dit geval: Residence Amsterdam kan de overeenkomst op grond van artikel 3.3 te allen tijde opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden en Nieuwendijk Monumenten kan de overeenkomst op grond van artikel 3.5 tussentijds beëindigen als Residence Amsterdam haar verplichtingen als huurder niet nakomt. Van die laatste mogelijkheid heeft de curator ook gebruik gemaakt, zoals blijkt uit het vonnis hiervoor genoemd in 4. onder f.
Beslissing
- veroordeelt de curator in de kosten van de procedure in eerste aanleg, tot op 14 november 2018 aan de zijde van Residence Amsterdam bepaald op € 119,- aan griffierecht en € 400,- aan salaris voor de gemachtigde;
- bekrachtigt de beschikking voor het overige;