Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 24 maart 2020
gevestigd te Rotterdam,
advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam.
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
heeft als getuigen voorgebracht: [appellant 4] (eiser sub 4), [directiesecretaresse] (voormalig directiesecretaresse van [appellant 1] ), [appellant 5] (eiser sub 5), [appellant 2] (eiser sub 2), [X] (eiser sub 6), [naam eiser sub 7] (eiser sub 7), [appellant 3] (eiser sub 3), zichzelf en [A] (productie 12 en 13 bij dagvaarding).
alledoor partijen gestelde, al dan niet betwiste, feiten. Dat de kantonrechter relevante feiten buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling, kan daarom nog niet worden afgeleid uit de door de kantonrechter vastgestelde feiten, en is in de toelichting op de grief ook niet verder gemotiveerd en onderbouwd. Ditzelfde geldt voor het verwijt dat de kantonrechter de feiten (gedeeltelijk) onjuist zou hebben vastgesteld. Het is het hof niet duidelijk geworden op welke (volgens [appellanten] onjuiste) feiten wordt gedoeld. Het hof ziet geen aanleiding tot aanvulling of wijziging van de door de kantonrechter vastgestelde feiten. Ook het hof neemt daarom deze – tussen partijen vaststaande – feiten tot uitgangspunt.
Het hof overweegt in dit verband dat geen van de getuigen die in het kader van het voorlopig getuigenverhoor zijn gehoord, heeft verklaard dat er expliciet is besproken dat de excedentpensioenen na uitdiensttreding c.q. pensionering onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd. Dit geldt ook voor verklaring van [appellant 1] , die destijds degene was die namens Smit de gesprekken voerde over de nieuwe excedentpensioenregelingen. [appellant 1] heeft als getuige verklaard dat de nieuwe excedentregeling voor de directie “70% in een geïndexeeerd middenloonsysteem” betrof, wat in overeenstemming is met de brief van 25 augustus 1999, maar waaruit geen onvoorwaardelijke indexeringsverplichting blijkt voor de periode ná datum uitdiensttreding c.q. pensionering. Evenmin blijkt uit de getuigenverklaringen dat expliciet is besproken dat Smit toezegde dat de pensioenen nominaal zouden zijn gegarandeerd, en dat deze dus – ongeacht de omstandigheden – in de toekomst niet zouden worden gekort.
Het hof zal hieronder bespreken of deze omstandigheden waarnaar de getuigen verwijzen en waarop [appellanten] zich beroepen, meebrengen dat [appellanten] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat Smit de door hen gestelde toezeggingen heeft gedaan. Daarbij merkt het hof op, in navolging van hetgeen de kantonrechter in r.o. 5.4 van haar eindvonnis heeft vastgesteld en waartegen niet is gegriefd, dat [appellanten] wisten, althans behoorden te weten, dat het basispensioen voor al het personeel (inclusief henzelf) slechts voorwaardelijk was geïndexeerd (zie artikel 16 pensioenreglement Pro geciteerd in r.o. 3 onder 2.6) en dat er bij dit basispensioen evenmin een garantie was dat de pensioenuitkering niet zou worden gekort, zodat het voor de hand had gelegen dat een hiervan afwijkende (onvoorwaardelijke) garantie voor het directiepensioen expliciet (mondeling dan wel schriftelijk) zou zijn meegedeeld. Deze omstandigheid brengt mee dat, nu een dergelijke expliciete toezegging naar het oordeel van het hof ontbreekt, van een gerechtvaardigd vertrouwen van [appellanten] op basis van andere (bijkomende) omstandigheden niet snel sprake kan zijn.
Het hof volgt [appellanten] hierin niet. [appellanten] miskennen dat bij de C-polis van Nationale Nederlanden weliswaar – onder de voorwaarde van voortdurende en gelijkblijvende premiebetaling – sprake was van een op te bouwen gegarandeerd kapitaal, maar dat de hoogte van de met het kapitaal inclusief de aangewende overrente aan te kopen pensioenuitkeringen afhankelijk was van de tarieven (waaronder de rekenrente) van Nationale Nederlanden of een andere pensioenuitvoerder op de (vroeg)pensioendatum, en dus onzeker was. Deze onzekerheid gold niet voor de hoogte van de pensioenuitkeringen waar [appellanten] op grond van de nieuwe excedentpensioenregelingen bij het Pensioenfonds aanspraak konden maken, zodat de nieuwe pensioenregelingen reeds op dat punt een verbetering vormden voor [appellanten] Verder was de aan de C-polis verbonden overrente, anders dan [appellanten] stellen, niet onvoorwaardelijk, maar hing deze af van de bedrijfsresultaten van Nationale-Nederlanden. Dat deze bedrijfsresultaten in de jaren ’90 steeds goed zijn geweest waardoor er jaarlijks een overrente kon worden aangewend als koopsom ter verhoging van de kapitalen, maakt deze overrente nog niet onvoorwaardelijk. Dat [appellanten] er met het aanbod van Smit in 1999 en de overdracht van de waarde van hun C-polissen aan het Pensioenfonds op achteruit zouden gaan als hun excedentpensioenen niet nominaal werden gegarandeerd en onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd, zoals [appellanten] lijken te betogen, is door Smit gemotiveerd weersproken en op grond van de gedingstukken niet aannemelijk geworden. De omstandigheid dat [appellanten] in 1999 hebben besloten tot overdracht van de waarde van hun C-polissen aan het Pensioenfonds draagt daarom niet bij aan het oordeel dat [appellanten] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat Smit de door hen gestelde toezeggingen heeft gedaan.
Voor zover een algemeen bewijsaanbod wordt gedaan tot het doen horen van getuigen, voldoet het niet aan de eisen die aan een bewijsaanbod in hoger beroep mogen worden gesteld. Aangezien er reeds getuigen zijn gehoord in het kader van het voorlopig getuigenverhoor, had van [appellanten] verwacht mogen worden welke getuigen zij alsnog zouden willen horen, en wat deze getuigen – indien zij reeds eerder zijn gehoord – nog meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.
Wat betreft het specifieke aanbod om de heer [Y] als getuige te doen horen, is het hof van oordeel dat door [appellanten] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waarover [Y] kan verklaren die relevant zijn voor de beoordeling van dit geschil. [appellanten] hebben in dit verband slechts gesteld dat [Y] aanwezig is geweest bij de vergadering van de RvC in 1994 waarin [appellant 1] een presentatie heeft gegeven over een substantiële verbetering van de pensioenregeling voor directieleden van Smit. Op grond van die presentatie heeft de RvC besloten ten behoeve van de directieleden van Smit een zodanige aanvullende pensioenvoorziening te treffen dat zij op hun 60ste zouden kunnen stoppen met werken en vanaf hun 65ste een exedentpensioen zouden ontvangen. Na die vergadering heeft [Y] aan [appellant 1] verzocht een en ander uit te werken. In de daarop volgende jaren heeft [appellant 1] het Bestuur regelmatig geïnformeerd over de voortgang en heeft het Bestuur op zijn beurt de RvC daarover geïnformeerd. [appellanten] stellen dat [Y] kan verklaren over de vergadering van de RvC in 1994, en over hetgeen in de vergaderingen van de RvC in 1998 en 1999 besproken is. [appellanten] stellen echter niet dat in deze vergaderingen van de RvC zou zijn besproken dat de nieuwe excedentpensioenen voor directieleden, anders dan de basispensioenen, nominaal zouden worden gegarandeerd en/of na datum uitdiensttreding/pensionering onvoorwaardelijk zouden worden geïndexeerd. Het bewijsaanbod van [appellanten] tot het doen horen van [Y] wordt daarom als niet relevant gepasseerd.
Beslissing
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Smit tot op heden begroot op € 726,- aan griffierecht, € 3.222,- (3 punten tarief II) aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
- wijst het meer of anders gevorderde af.