ECLI:NL:GHDHA:2020:2906

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
2200026519
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 3.C OpiumwetArt. 310 SrArt. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis wegens hennepteelt, bezit hennep en diefstal elektriciteit

In deze strafzaak stond verdachte terecht voor het opzettelijk telen en aanwezig hebben van hennepplanten en het stelen van elektriciteit. De feiten betreffen de periode van september 2016 tot maart 2017 in Den Haag, waarbij verdachte een groot aantal hennepplanten teelde en gebruikte voor eigen gebruik.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, een taakstraf van 150 uur en een proeftijd van twee jaar. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 29 september 2020 legde verdachte een bekennende verklaring af, waarin hij toegaf de hennepplanten te hebben geteeld en elektriciteit te hebben laten aanleggen.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd en alleen een aanvulling op de gronden aangebracht. De vordering van de advocaat-generaal tot bevestiging van het vonnis werd overgenomen. De strafrechtelijke kwalificaties betroffen overtredingen van de Opiumwet en diefstal zoals bedoeld in het Wetboek van Strafrecht. Het arrest werd uitgesproken op 13 oktober 2020 door het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het hof bevestigt de veroordeling van verdachte voor hennepteelt, bezit van hennep en diefstal van elektriciteit met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000265-19
Parketnummer: 09-209542-17
Datum uitspraak: 13 oktober 2020
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1978,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op
29 september 2020.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 14 maart 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand aan [adres]) een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 15 maart 2017 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres] een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 283 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij die in of omstreeks de periode van 1 september 2016 tot en met 15 maart 2017 te 's-Gravenhage, althans in het arrondissement Den Haag, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin Netbeheer B.V., in elk geval aan een ander dan anderen dan aan verdachte.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in het vonnis waarvan beroep de hierna te vermelden aanvulling aanbrengt.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 september 2020 een bekennende verklaring afgelegd, inhoudende: “Ik erken dat ik in de tenlastegelegde periode een aantal hennepplanten heb geteeld en aanwezig heb gehad en dat ik daar elektriciteit voor heb laten aanleggen”.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve onder aanvulling van gronden te worden bevestigd.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven,
mr. J.M. Reinking en mr. Th.P.L. Bot, in bijzijn van de griffier mr. L.A. Haas.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 oktober 2020.
mr. J.M. Reinking is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.