Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2020:2758

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2020
Publicatiedatum
29 januari 2021
Zaaknummer
2200528419
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 257a SvArt. 261 SvArt. 314a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid inleidende oproeping wegens onvoldoende feitelijke omschrijving tenlastelegging

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor vernieling, wederspannigheid met enig lichamelijk letsel, en het niet voldoen aan een ambtelijk bevel, gepleegd op 22 april 2019 te Rijswijk. De politierechter veroordeelde de verdachte tot een geldboete en een geheel voorwaardelijke taakstraf.

De verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het hof heeft de zaak inhoudelijk onderzocht en kwam tot de conclusie dat de inleidende oproeping in eerste aanleg nietig is. Dit omdat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk was omschreven en niet voldeed aan de vereisten van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overwoog dat de feitelijke omschrijving slechts voldeed aan artikel 257a, zesde lid, Sv, maar niet aan de strengere eisen van artikel 261 Sv Pro. Aangezien artikel 314a Sv niet van toepassing is in hoger beroep en de tekortkoming niet is hersteld, moest de oproeping als nietig worden verklaard.

Als gevolg hiervan vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en verklaarde de oproeping in eerste aanleg nietig, waarna de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling.

Uitkomst: Het hof verklaart de inleidende oproeping nietig en vernietigt het vonnis van de politierechter.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005284-19
Parketnummer: 09-097514-19
Datum uitspraak: 16 december 2020
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 7 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
adres: [woonadres] te [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 84,00 en een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, onder oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden, inhoudende – kort gezegd – een meldplicht, ambulante behandeling en het zich onthouden van het gebruik van alcohol en/of drugs en dat hij ten behoeve van de naleving van dit verbod zal meewerken aan adem- en urineonderzoek.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd:
1.
vernieling, gepleegd 22 april 2019 te Rijswijk, gemeente Rijswijk;
2.
wederspannigheid – enig lichamelijkletsel, gepleegd 22 april 2019 te Rijswijk, gemeente Rijswijk;
3.
niet voldoen aan een ambtelijk bevel, gepleegd 22 april 2019 te Rijswijk, gemeente Rijswijk.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de zaak dient te worden teruggewezen naar de rechtbank Den Haag.
Geldigheid van de inleidende oproeping
Het hof is – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de inleidende oproeping nietig dient te worden verklaard ten aanzien van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, nu de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is omschreven en derhalve niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
In de tenlastelegging is voor de opgave van de feiten slechts volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 257a, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave van de feiten had – gelet op het bepaalde in artikel 314a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering – alsnog in overeenstemming moeten worden gebracht met de gestelde eisen in artikel 261, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Nu zulks niet heeft plaatsgevonden en artikel 314a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de behandeling van de zaak in hoger beroep, is het hof van oordeel dat de inleidende oproeping nietig behoort te worden verklaard.
Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de oproeping in eerste aanleg nietig.
Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking,
mr. W.J. van Boven en mr. M. van der Horst, in bijzijn van de griffier mr. N. van Burgsteden.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 december 2020.
mr. M. van der Horst is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.