Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 14 januari 2020
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[naam vof] V.O.F.,gevestigd te […], gemeente […],appellante in het principaal beroep,
Ontwikkelingscombinatie Hart van ’s-Gravenzande B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(2.1) [appellante] drijft een bloemenwinkel ‘[naam]’. Aanvankelijk was deze gevestigd in het winkelcentrum Koningswerf te ’s-Gravenzande (hierna ook: de oude locatie). In verband met plannen om het winkelcentrum deels te slopen en te renoveren heeft [appellante] ingestemd met verhuizing naar en huur van een tijdelijke winkelruimte (hierna: de winkel of de tijdelijke winkel) in het nabij gelegen winkelcentrum De Gravenhof te ’s-Gravenzande (hierna ook: het Winkelcentrum) per 1 augustus 2014 totdat de renovatie zou zijn afgerond. Blijkens de huurovereenkomst heeft [appellante] 90 m² tijdelijke winkelruimte gehuurd van OCHvG voor een bedrag van
€ 13.500,-- per jaar (met een gereduceerde huurprijs van € 11.250,-- per jaar in de eerste maanden totdat de tijdelijk in de nabijheid te vestigen supermarkt in het Winkelcentrum geopend zou worden). Tevens is daarbij tussen partijen overeengekomen dat de winkel bereikbaar zou zijn van twee kanten, te weten zowel via de Langestraat alsook via de entree van het Winkelcentrum zodra de supermarkt geopend zou worden (hierna ook: de aanvullende afspraak).
(2.2) De supermarkt (de Lidl) is op 7 januari 2015 open gegaan. Door aanpassingen van de entree van het Winkelcentrum (op verzoek van de Lidl) biedt deze entree geen directe toegang tot de winkel van huurder.
(2.3) Partijen zijn het erover eens dat aldus de aanvullende afspraak is geschonden; dat huurder hierdoor schade lijdt en dat verhuurder hiervoor aansprakelijk is. [appellante] heeft zich vervolgens tot de kantonrechter gewend met een vordering, onder meer strekkende tot vergoeding van de door haar geleden schade.
(2.4) De kantonrechter heeft hierover een deskundigenbericht gelast. Dit deskundigenbericht van de deskundigen A.L. Oosterling en J.S.L. Korteweg is op 17 augustus 2016 uitgebracht (hierna ook: het rapport van de gerechtelijke deskundigen). In dit rapport hebben de deskundigen aangegeven (a) dat huurder omzetschade lijdt doordat de entree van het Winkelcentrum geen directe toegang biedt tot de winkel, (b) dat door het vervallen van deze entree een smalle en diepe winkelruimte is ontstaan (een pijpenla van 5.30 bij 18.90 m1), (c) dat de deskundigen niet kunnen beoordelen in welke mate door huurder hierdoor schade wordt geleden en (d) dat het omzetverlies naar hun mening ook een gevolg is van de locatie van de tijdelijke winkel die minder is dan de locatie “Koningswerf”.
(2.5) Omdat de gerechtelijke deskundigen geen uitsluitsel konden geven over de omvang van de door [appellante] geleden schade ten gevolge van de ontbrekende entree heeft de kantonrechter zelf de schade (over de periode 1 januari 2015 tot 1 april 2017; hierna: de relevante periode) bij het thans bestreden vonnis begroot, en wel op een totaalbedrag van € 24.750,--.
(2.6) [appellante] heeft de winkel per 1 april 2017 ontruimd.
De beslissing van de kantonrechter
(i) De omzet op de oude locatie bedroeg in 2013 € 263.654.
(ii) Bij correcte naleving van de huurovereenkomst door verhuurder mag een
omzetdaling van 20% worden verwacht wegens verhuizing naar de tijdelijke
winkellocatie (hierna ook: de verhuisschade).
(iii) De verwachte omzet over 2015 en 2016 is dan na deze (niet aan verhuurder
toe te rekenen) verhuisschade-correctie € 210.923,20 per jaar (80% van de
omzet op de oude locatie).
(iv) De omzet van de winkel in 2015 en 2016 bedroeg feitelijk respectievelijk
€ 162.398 en € 126.783, dus gemiddeld € 144.590,50 per jaar.
(v) Dit is, afgezet tegen het bedrag van € 210.923,20 een omzetdaling van
31,4%, Ook externe (niet aan verhuurder toe te rekenen) factoren kunnen een
rol hebben gespeeld bij deze omzetdaling.
(vi) Daarom wordt bij de begroting van de schadevergoeding niet uitgegaan van
een omzetdaling van 31,4% maar van 25%, afgezet tegen € 210.923,20, over
de relevante periode die het gevolg is van het handelen van verhuurder
(hierna ook: de entree-schade). De 6,4% geringere omzet, die feitelijk is
geleden, wordt toegeschreven aan externe factoren. Bij gebreke van cijfers
over 2017 wordt voor dat jaar uitgegaan van hetzelfde percentage.
(vii) De gemiddelde ondernemersbeloning bedroeg in de jaren 2011, 2012 en
2013 € 55.000. Gelet op 20% verhuisschade zou op basis daarvan een
ondernemersbeloning van € 44.000 (€ 55.000 x 0,80) per jaar worden
verwacht.
(viii) De schade is dan € 44.000 x 25% (omzetdaling) x 2,25 jaar, hetgeen een
schadebedrag (wegens de ontbrekende entree) van € 24.750,-- oplevert, te
vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.
(ix) Aan de stelling dat een daling van de omzet niet leidt tot een procentueel
gelijke daling van de ondernemersbeloning, maar tot een zwaardere, wordt
voorbijgegaan omdat die stelling niet nader is onderbouwd.
(ix) Bij de begroting wordt niet meegenomen of door de wanprestatie van
meegaan naar het nieuwe Winkelcentrum.
(x) Na deze compensatie is voor verlaging van de huurprijs geen grond.
(xi) Verhuurder zal veroordeeld worden in de proceskosten.
Nadere stukken in hoger beroep
heeft ook haar jaarstukken over 2015 en 2016 in het geding gebracht (productie 30 memorie van grieven).
OCHvG heeft een contra-expertise territorium analyse van 14 maart 2018 (hierna de contra-expertise) in het geding gebracht, opgesteld door het Bureau Stedelijke Planning (productie 1 bij memorie van antwoord).
De vordering van [appellante] in hoger beroep en de grieven van partijen in het principaal en incidenteel hoger beroep
primairveroordeling van OCHvG tot betaling van :
1) een schadevergoeding over 2015 van € 21.911,--
2) een schadevergoeding over 2016 van € 34.470,--
3) een schadevergoeding over het eerste kwartaal van 2017 van € 10.809,--.
(De bedragen achter 1 t/m 3 zijn als volgt berekend:
de in het MCR-rapport geprognosticeerde omzet gedeeld door de feitelijk
gerealiseerde omzet vermenigvuldigd met de feitelijk gerealiseerde bruto winst
minus de vaste kosten minus de feitelijk gerealiseerde ondernemersbeloning).
4) € 2.335,54 aan wettelijke rente tot 1 januari 2018.
5) € 5.441,25 excl. btw wegens kosten voor het doen opmaken MCR-rapport
6) € 2.250,-- excl. btw wegens rapportage accountant Flynth
7) de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018.
Subsidiair(in het geval 1 t/m 3 niet integraal worden toegewezen) vordert [appellante] huurprijsvermindering en terugbetaling van de meer betaalde huur.
Verdere beoordeling van het hoger beroep
De hoogte van de omzetdaling wegens de verhuizing
De hoogte van de feitelijke omzet in de relevante periode
€ 29.612 bedroeg. OCHvG heeft dit laatste niet, althans niet deugdelijk bestreden.
Daarom zal het hof uitgaan van een
feitelijketotale omzet (genoemde bedragen opgeteld) in de relevante periode van € 305.653. Dit levert een gemiddelde
feitelijkeomzet per jaar op van € 135.845,78 (€ 305.653 : 27 x 12). Dit is een lager bedrag dan waar de kantonrechter vanuit is gegaan (dit was € 144.590,50 gemiddeld per jaar).
De verwachte omzet in de relevante periode, thans niet alleen rekening houdend met factor (i) de verhuizing, maar ook met factor (ii) de ontbrekende entree en (iii) eventuele andere factoren
verwachteomzet van € 210.923,20 per jaar hetgeen resulteert in een omzetdaling van 31,4%. 25% daarvan heeft de kantonrechter toegerekend aan de entree-schade en 6,4% aan externe factoren.
omzetdaling, evenals de kantonrechter, bij zijn begroting handhaven. Onder deze omstandigheden hoeft/hoeven (de hoogte van) mogelijke externe factoren die op de schadebegroting van invloed zouden kunnen zijn, verder niet te worden besproken.
De berekening van de kosten bij teruglopende omzet
ondernemersbeloning(omzet minus kosten) van [appellante] wegens de teruglopende omzet, veroorzaakt door de ontbrekende entree, met een hoger percentage gedaald dan de kantonrechter heeft aangenomen in zijn berekening, aldus nog steeds [appellante].
De ondernemersbeloning wegens (niet aan OCHvG toe te rekenen) verhuisschade zou dan niet uitkomen op € 44.000,-- maar op een lager bedrag, evenals de ondernemersbeloning wegens de ontbrekende entree. Anders gezegd: de cijfers in berekening (zie 3.viii) zouden er dan anders uitzien, zowel in het nadeel als in het voordeel van [appellante]. Nu het om een schadebegroting gaat en al deze factoren zich niet precies laten wegen en in ieder geval deels tegen elkaar wegvallen, zal het hof het aspect van de relatief toenemende kosten bij teruglopende omzet in zijn begroting niet meenemen.
Conclusie ondernemersschade wegens ontbrekende entree
De gevorderde rente (grief 11)
De subsidiair gevorderde huurprijsvermindering (grief 9)
Grief 12
Slotsom
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen (in de hoofdzaak) gewezen eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 24 januari 2017; en vult het vonnis als volgt aan:
- veroordeelt OCHvG tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van € 24.750, te weten:
- veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, aan de zijde van OCHvG tot op heden begroot op € 1.952,-- aan griffierecht en € 4.897,50 aan salaris advocaat;
- veroordeelt OCHvG in de kosten van het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellante] begroot op € 979,50 aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.