4.3.Na het einde van de faillissementen heeft de Ontvanger een onderzoek ingesteld naar de aansprakelijkheid van belanghebbende als bestuurder op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen en is belanghebbende naar aanleiding van de bevindingen van het onderzoek op grond van artikel 36, derde en vierde lid, IW 1990 aansprakelijk gesteld voor € 35.713 en € 31.185. In die bedragen zijn geen kosten, boete, invorderingsrente en heffingsrente opgenomen.
5. De Rechtbank heeft overwogen:
4. In geschil is of [belanghebbende] terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen van de vennootschappen.
5. [ Belanghebbende] stelt zich primair op het standpunt dat [de Ontvanger] hem niet aansprakelijk kan stellen, omdat de curator hem al aansprakelijk heeft gesteld. [Belanghebbende] verwijst hiervoor naar artikel 36.1 van de Leidraad Invordering 2008 (de Leidraad), waarin volgens hem staat dat slechts een van de regelingen toegepast mag worden. Zo aansprakelijkstelling door de curator al mogelijk zou zijn, stelt [belanghebbende] subsidiair dat geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Verder meent [belanghebbende] dat hij niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de invorderingsrente. Ten slotte stelt [belanghebbende] zich op het standpunt dat de proceskosten integraal vergoed dienen te worden en dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase.
6. [ De Ontvanger] stelt zich op het standpunt dat sprake is geweest van een niet-tijdige melding betalingsonmacht zodat [belanghebbende] als bestuurder van de vennootschappen aansprakelijk is voor de onbetaald gebleven belastingschulden. [De Ontvanger] weerspreekt verder dat sprake is geweest van een samenloop van de verschillende aansprakelijkstellingsregelingen en dat de onderhavige aansprakelijkstellingen invorderingsrente behelzen.
Wettelijk kader
7. Volgens artikel 36, eerste lid, van de IW is de bestuurder van een vennootschap in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor (onder meer) de loonbelasting die de vennootschap verschuldigd is. Volgens artikel 36, tweede lid, IW is een vennootschap verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat zij niet tot betaling van de verschuldigde belasting in staat is, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan [de Ontvanger]. Artikel 7, eerste lid, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (Uitvoeringsbesluit) bepaalt dat de mededeling van betalingsonmacht moet worden gedaan uiterlijk twee weken na de dag waarop de verschuldigde belasting moet zijn voldaan. Indien een vennootschap op juiste wijze heeft meegedeeld dat zij niet tot betaling van de verschuldigde belasting in staat is, is de bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling. Dat daarvan sprake is moet door [de Ontvanger] aannemelijk worden gemaakt. Indien echter niet op de juiste wijze de betalingsonmacht is gemeld, wordt vermoed dat het niet betalen aan de bestuurder te wijten is. De bestuurder wordt alleen toegelaten tot weerlegging van dat vermoeden, wanneer hij aannemelijk maakt dat het niet op juiste wijze melden van de betalingsonmacht niet aan hem te wijten is. Dit volgt uit artikel 36, derde en vierde lid, IW.
Melding betalingsonmacht
8. De verschuldigde loonbelasting over het tijdvak 1 tot en met 30 september 2013 moest, gelet op artikel 19, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, uiterlijk 31 oktober 2013 voldaan zijn. [Belanghebbende] had, gelet op artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit de betalingsonmacht uiterlijk moeten melden op 14 november 2013. Op 26 november 2013 zijn met betrekking tot de vennootschappen meldingen betalingsonmacht gedaan. Er is, voor zover het de naheffingsaanslagen over het tijdvak september 2013 betreft, dus te laat gemeld dat sprake was van betalingsonmacht. Nu niet is gebleken dat de niet tijdige melding niet aan [belanghebbende] te wijten is geweest, wordt vermoed dat het niet betalen van de naheffingsaanslagen over het tijdvak september 2013 aan [belanghebbende], als enig bestuurder van de vennootschappen, wijten is. [Belanghebbende] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen loonheffingen over het tijdvak september 2013.
9. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen over de tijdvakken oktober en november 2013 geldt dat een eventuele melding van betalingsonmacht uiterlijk 14 december 2013 respectievelijk 14 januari 2014 had moeten plaatsvinden. Nu reeds op 26 november 2013 voor beide vennootschappen een melding betalingsonmacht is gedaan, is de melding in zoverre tijdig geweest. Dat betekent dat het vervolgens aan [de Ontvanger] is om aannemelijk te maken dat het niet betalen van deze naheffingsaanslagen het gevolg is van aan [belanghebbende] te wijten onbehoorlijk bestuur. Daartoe heeft [de Ontvanger] onder meer gesteld de beide vennootschappen zich uitsluitend hebben bezighouden met het uitlenen van personeel aan [C B.V.] en dat misbruik is gemaakt van de vennootschappen doordat deze zijn gebruikt voor het beschermen van [C B.V.] tegen de risico’s van het in loondienst hebben van personeel zonder dat aan de vennootschappen voor dit risico een reële zakelijke prijs is betaald. [Belanghebbende] had redelijkerwijs kunnen weten dat de verplichtingen die in dat kader door de vennootschappen zijn aangegaan niet konden worden nagekomen en dat de Belastingdienst daarvan de dupe zou zijn, aldus [de Ontvanger]. [Belanghebbende] heeft de stellingen van [de Ontvanger] niet weersproken. De rechtbank overweegt dat [belanghebbende], als enig bestuurder van de vennootschappen, zorg ervoor had moeten dragen dat de vennootschappen voor hun diensten aan [C B.V.] een zakelijke prijs in rekening brachten zodat de vennootschappen reserves konden opbouwen en de verschuldigde loonheffingen konden voldoen. Door dat na te laten heeft [belanghebbende] zich schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur van de vennootschappen. [Belanghebbende] is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht aansprakelijk gesteld voor de naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken oktober en november 2013.
Samenloop met aansprakelijkstelling door curator
10. [ Belanghebbende] heeft zich op het standpunt gesteld dat de aansprakelijkstelling niet in stand kan blijven omdat hij ook reeds door de curator aansprakelijk is gesteld. [Belanghebbende] verwijst in dat verband naar artikel 36.1 van de Leidraad. De rechtbank is echter van oordeel dat van samenloop met bestuurdersaansprakelijkheid uit faillissement geen sprake is. Uit het faillissementsverslag van de curator en de door [belanghebbende] overgelegde e-mails blijkt immers dat de betaling van € 31.000 niet is gedaan in het kader van een aansprakelijkstelling door de curator, maar dat [belanghebbende] dit bedrag zonder enige aansprakelijkheid te erkennen aan de beide boedels heeft betaald en dat aan hem, na de bijschrijving van dat bedrag, finale kwijting verleend is. Dat van aansprakelijkstelling door de curator geen sprake is geweest, volgt voorts uit de verklaring die namens [belanghebbende] ter zitting is afgelegd. Daaruit blijkt dat de curator weliswaar een conceptdagvaarding heeft opgesteld, maar de aansprakelijkstellingsprocedure uiteindelijk niet heeft doorgezet. Van samenloop van aansprakelijkstelling door de curator enerzijds en door [de Ontvanger] anderzijds is dan ook geen sprake.
Invorderingsrente
11. [ Belanghebbende] heeft ten slotte nog aangevoerd dat hij ten onrechte aansprakelijk is gesteld voor invorderingsrente. In dat verband overweegt de rechtbank dat uit de bijlagen 1 bij de aansprakelijkstellingen volgt dat [belanghebbende] uitsluitend aansprakelijk is gesteld voor de bedragen van de bij de vennootschappen nageheven loonheffingen. De in die bijlagen genoemde bedragen stemmen immers overeen met de bedragen van de naheffingsaanslagen (verminderd met de kasbetalingen die op de naheffingsaanslagen over het tijdvak september 2013 zijn gedaan) en in die aanslagen is geen invorderingsrente begrepen. Weliswaar volgt uit de beschikkingen dat invorderingsrente wordt berekend indien [belanghebbende] de bedragen van de aansprakelijkstellingen niet tijdig (vóór 4 augustus 2017) betaalt, maar in de bedragen van de aansprakelijkstellingen is dus geen invorderingsrente over de periode vóór de datum van aansprakelijkstelling begrepen. Ook overigens is niet gebleken dat [belanghebbende] aansprakelijk gesteld is voor invorderingsrente van vóór de datum van de aansprakelijkstelling.
12. Gelet op het voorgaande zullen de beroepen ongegrond verklaard worden.
Vergoeding van immateriële schade
13. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat wanneer belastinggeschillen niet binnen een redelijke termijn worden beslecht, er reden kan zijn voor de vergoeding van immateriële schade vanwege de spanning en frustratie die bij een belastingplichtige ontstaat door de onzekerheid over zijn feitelijke belastingplicht. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn om te beslissen op het bezwaarschrift, wanneer daarmee meer dan zes maanden zijn gemoeid. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat [de Ontvanger] het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Daarbij geldt dat indien meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld en die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling voor die zaken gezamenlijk eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd (vgl. HR 18 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). 14. Het bezwaarschrift is ontvangen door [de Ontvanger] op 6 juli 2017. De uitspraak van de rechtbank wordt op 5 november 2019 gedaan en dus afgerond twee jaar en vier maanden na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt zes maanden voor bezwaar en achttien maanden voor beroep. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangpunt af te wijken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan vier maanden zodat [belanghebbende] recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 500. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhang tussen de onderhavige zaken. De zaken zijn niet alleen gezamenlijk behandeld, maar hebben ook betrekking op hetzelfde onderwerp, namelijk de aansprakelijkstelling van [belanghebbende] voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen. Voor de twee zaken wordt voor de overschrijding dan ook eenmaal het tarief van € 500 gehanteerd.
15. Voor de verdeling van de schadevergoeding tussen [de Ontvanger] (bezwaarfase) en de Staat (beroepsfase) geldt het volgende. De bezwaarfase is geëindigd met het op de voorgeschreven wijze bekendmaken van de uitspraak op bezwaar op 26 januari 2018. De bezwaarfase heeft daarmee afgerond 7 maanden geduurd, waarmee de redelijke termijn voor de bezwaarfase met één maand is overschreden. De resterende overschrijding wordt toegerekend aan de beroepsfase. [De Ontvanger] dient daarom ¼ deel van € 500 te betalen (€ 125) en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) ¾ deel van € 500 (€ 375). De rechtbank merkt de Minister voor Rechtsbescherming in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Proceskosten
16. Voor de toekenning van een integrale proceskostenvergoeding, zoals [belanghebbende] heeft verzocht, is geen aanleiding, aangezien de beroepen ongegrond zullen worden verklaard.
17. Wel ziet de rechtbank in de omstandigheid dat aan [belanghebbende] een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend aanleiding voor een forfaitaire vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase. Omdat de vergoeding alleen plaatsvindt in verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade, is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaken gesteld op 0,5 (licht). De proceskostenvergoeding wordt dan op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5).
18. Nu de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan [de Ontvanger] als aan de rechtbank is te wijten, zullen om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid [de Ontvanger] en de Minister voor Rechtsbescherming ieder voor de helft worden veroordeeld in de proceskosten (Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Ook dient om die reden het griffierecht van € 46 door ieder voor de helft te worden vergoed. (…)"
6. In hoger beroep spitst het geschil zich, net als voor de Rechtbank, toe op de vraag of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de in geding zijnde naheffingsaanslagen, meer in het bijzonder of belanghebbende aan het gestelde in artikel 36.1 van de Leidraad Invordering 2008 (de Leidraad) het vertrouwen kan ontlenen door de Ontvanger niet wegens onbehoorlijk bestuur aansprakelijk te worden gesteld. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.
7. Het Hof komt tot een andere afweging dan de Rechtbank en concludeert dat, gelet op de duidelijke tekst van artikel 36.1 van de Leidraad, de Ontvanger, die van de faillissementen op de hoogte is gebracht en ook de in geding zijnde naheffingsaanslagen als vorderingen heeft ingebracht, niet nog het recht heeft belanghebbende aansprakelijk te stellen voor het als bestuurder onbehoorlijk handelen, ook niet voor het geval dat, zoals de Ontvanger stelt, de curator bij de totstandkoming van de met belanghebbende gesloten vaststellingsovereenkomst geen rekening heeft gehouden met de fiscale vorderingen en ook akkoord is gegaan met een, afgezet tegen de omvang van het geheel van vorderingen, aanzienlijk te laag bedrag. Het Hof heeft meegewogen dat redelijkerwijs niet anders kan worden geoordeeld, anders dan de Ontvanger stelt, dan dat de door de curator met belanghebbende gesloten overeenkomst het enkele gevolg is van een aansprakelijkstellingactie door de curator en dat de curator bij het achterwege blijven van deze met goedkeuring van de rechter-commissaris gesloten overeenkomst onverkort zou zijn overgegaan tot het neerleggen van zijn eisen in een aansprakelijkheidsactie in rechte. Niet kan worden volgehouden dat de curator, aldus handelend, belanghebbende niet wegens onbehoorlijk bestuur in een aansprakelijkheidsprocedure heeft betrokken, een situatie waarop de Leidraad in de betrokken passage ziet. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende.
8. Met betrekking tot het vaststellen van de vergoeding voor immateriële schade op € 500 is het Hof van oordeel dat de Rechtbank voor het bepalen van de mate van overschrijding van de redelijke termijn rechtens terecht is uitgegaan van de datum dat de bezwaarschriften zijn ontvangen als aanvang van die termijn.
9. Het hoger beroep is wat betreft de aansprakelijkstellingen gegrond.
10. Het Hof ziet reden de Ontvanger te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De kosten stelt het Hof, onder handhaving van de door de Rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling van in totaal € 512, volgens de standaard proceskostenregeling vast op € 3.421 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand: 2 punten à € 261 (bezwaar) + 4 punten à € 525 (beroep en hoger beroep), met toepassing van 1,5 (gewicht) en onder aftrek van de door de Rechtbank toegekende € 512. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Naar het oordeel van het Hof kan de Ontvanger niet worden verweten een op voorhand kansloos standpunt te hebben ingenomen en heeft de Ontvanger evenmin in vergaande mate onzorgvuldig gehandeld. De door belanghebbende bepleite vergoeding van de integrale proceskosten wijst het Hof dan ook af.
11. De Ontvanger dient belanghebbende de griffierechten te vergoeden.