Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 7 juli 2020
1. [appellant],
2. [appellante],
[minderjarige],
Stichting Haaglanden Medisch Centrum,
Het geding
- op 4 november 2019 het procesdossier van de procedure bij de rechtbank;
- op 15 november 2019 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 30 oktober 2018.
Beoordeling van het hoger beroep
Vraag 1a] Voor zover door mij te beoordelen op basis van de gegevens uit het medisch dossier is tijdens de zwangerschap en bevalling gehandeld volgens de benodigde vereiste zorgvuldigheid.
Vraag 1c] a. (…). Naar mijn mening is in deze zaak geen sprake geweest van onzorgvuldig handelen.
Vraag 7] a. Gezien de discussie die gevoerd zou kunnen worden over het tijdstip waarop de hersenschade bij [minderjarige] is ontstaan, zou ik het verstandig vinden een ter zake deskundige neonatoloog hier zijn/haar licht over te laten doen schijnen.
eerste griefhoudt in dat de rechtbank ten onrechte niet is overgegaan tot benoeming van een andere deskundige om te beoordelen of het hersenletsel het gevolg was van de directe opvang en de behandeling van [minderjarige] in de uren na de bevalling, dan wel van de infectie die hij direct na en in de dagen volgend op de bevalling heeft doorgemaakt. Volgens de ouders klemt dit temeer, omdat Duvekot uitdrukkelijk heeft te kennen gegeven de door de rechtbank hierover geformuleerde vragen niet te kunnen beantwoorden, omdat die niet onder zijn expertise vallen. Daarmee is het door Duvekot opgestelde deskundigenbericht onvolledig, aldus de ouders.
tweede griefhoudt in dat de rechtbank ten onrechte niet heeft laten beoordelen of het hersenletsel van [minderjarige] het gevolg is of kan zijn van prenatale asfyxie (zuurstoftekort) en/of de behandelende gynaecoloog op grond van de klachten van de moeder vanaf week 35 de bevalling eerder had moeten inleiden.