ECLI:NL:GHDHA:2019:3874

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
3 september 2019
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
200.259.299/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133 lid 4 RvArt. 1.7 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshovenArt. 2.14 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken van grieven

Appellant is in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Den Haag. Na diverse rolzittingen en aanhoudingen heeft appellant nagelaten een memorie van grieven in te dienen en heeft zijn advocaat zich onttrokken. Hierdoor is het recht op het indienen van grieven vervallen.

Het hof heeft vastgesteld dat zonder grieven het hoger beroep niet ontvankelijk kan worden verklaard. Dit betekent dat het hof het geschil niet inhoudelijk kan beoordelen. De procedure is daarom beëindigd met een niet-ontvankelijkverklaring van appellant.

Daarnaast is appellant veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het ontbreken van grieven.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.259.299/01
Zaak-/rolnummer rechtbank: C/09/548112 / HA ZA 18-193

Arrest van 3 september 2019

inzake
1.
[appellant], in diens hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [naam],
en voor zich,
wonende te [woonplaats 1],
2.
[appellante],
wonende te [woonplaats 2],
appellanten,
hierna te noemen: [appellant] c.s.,
advocaat: onttrokken (voorheen mr. J.G. Schnoor te Den Haag),
tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 3],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. W.J.A. van Es te Steenwijk.

Het geding

Bij exploot van 25 april 2019 is [appellant] c.s. in hoger beroep gekomen van het vonnis van 20 februari 2019, van de rechtbank Den Haag. De zaak is op de rolzitting van 14 mei 2019 aangebracht en aangehouden tot 11 juni 2019 in afwachting van de betaling van het griffierecht.
Hierna is de zaak verwezen naar de rol van respectievelijk 25 juni 2019 en 23 juli 2019 voor het nemen van de memorie van grieven.
Op de rol van 23 juli 2019 is er geen memorie van grieven genomen en heeft de advocaat van [appellant] c.s. zich onttrokken, waarna de zaak is verwezen naar de rol van 6 augustus 2019 voor het stellen van een advocaat en het nemen van de memorie van grieven.
Op de rol van 6 augustus 2019 heeft zich geen advocaat gesteld en is er geen memorie van grieven genomen, waardoor het recht op het nemen van de memorie van grieven op grond van artikel 133 lid 4 Rv Pro en artikel 1.7 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (hierna: LPH) is vervallen. Ten slotte is de zaak met inachtneming van artikel 2.14 LPH naar heden verwezen voor arrest.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep

In hoger beroep kan het hof het geschil alleen beoordelen aan de hand van behoorlijk in het geding naar voren gebrachte grieven. Nu [appellant] c.s. geen grieven heeft aangevoerd, dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:
- verklaart [appellant] c.s. niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
- veroordeelt [appellant] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van De
Zomer tot op heden begroot op € 324,-- aan griffierecht en € 537,-- aan salaris voor de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, M.P.J. Ruijpers en M.A.F. Tan-de Sonnaville en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.