Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 24 december 2019
[appellante],gevestigd te [vestigingsplaats],
[geïntimeerde],
Het geding
[appellante] heeft de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
2.1. [geïntimeerde] en [appellante] zijn aandeelhouders van GPB Media B.V.; [geïntimeerde] houdt 80% van de aandelen en [appellante] 20%.
‘Artikel 7 Overdracht Pro van Aandelen: aanbiedingsplicht/koop
7.3 [aandeelhouder appellante] is verplicht om de Aandelen van [aandeelhouder geïntimeerde] te kopen op basis van de in artikel 8 bepaalde Pro prijs.
(…)
Artikel 8Prijsbepaling aandelen
8.1 In aanvulling op en in afwijking van de Statuten, komen partijen omtrent de prijsbepaling van de aangeboden Aandelen van [aandeelhouder geïntimeerde] de navolgende regeling overeen.
De prijs van de Aandelen per 31 december 2014 is gelijk aan:
Het eigen vermogen per 31 december 2014 zoals deze blijkt uit de jaarrekening 2014 vermeerderd met vier keer de gemiddelde EBIT-waarden over de jaren 2011 tot en met 2014 zoals deze blijken uit de jaarrekeningen over deze jaren.
De prijs van de Aandelen van [aandeelhouder geïntimeerde] wordt bepaald op basis van evenredigheid van het door haar gehouden belang zijnde 20%.’
In onderstaande mail geeft u zelf al aan met [aandeelhouder appellante] te willen bespreken om de belastingdruk te delen.
In de definitieve aandeelhoudersovereenkomst zie ik deze afspraak echter niet terugkomen.
(…)’
De grondslag voor de prijsbepaling van de koopprijs van de aandelen ultimo 2014 wordt:
Eigen vermogen per 31 december 2014 zoals deze blijkt uit de jaarrekening 2014 vermeerderd met vier keer de gemiddelde EBIT-waarden over de jaren 2011 t/m 2014 zoals deze blijken uit de jaarrekeningen over deze jaren minus 50% van de vennootschapsbelastingdruk over de gemiddelde EBIT-waarden (rekening houdend met de op dat moment geldende belastingtarieven).De prijs van de Aandelen van [aandeelhouder geïntimeerde] wordt bepaald op basis van evenredigheid van het door haar gehouden belang zijnde 20%.
De achterliggende gedachte is dat de goodwill bij het aankopen van de aandelen voor koper ([aandeelhouder appellante]) niet fiscaal aftrekbaar is. Op deze wijze delen [aandeelhouder appellante] en ik de belasting die koper niet kan verrekenen op basis van evenredigheid (50/50).’
In de toelichting op grief 3 stelt [appellante] dat er geen economische rationale is voor de belastingcorrectie en dat de formule, die door [accountant] op papier is gezet, niet in overeenstemming was met de wil van [appellante] Gezien de mailwisseling was het ook [geïntimeerde] bekend dat de daadwerkelijke wil van [appellante] was de belastingdruk bij [geïntimeerde] als gevolg van de overname van de aandelen naar evenredigheid te delen, aldus [appellante] Daarbij moet volgens haar worden uitgegaan van de uiteindelijk door [geïntimeerde] te betalen koopprijs; daaruit volgt welk bedrag aan goodwill moet worden betaald. Vervolgens moet worden beoordeeld wat het daadwerkelijke verschil in belastingdruk is en dat verschil zouden partijen delen. Naar [appellante] stelt, sluit de tekst van Van der Plas ([accountant]) niet aan op de partijbedoeling, nu het niet ging om de fiscaliteit van GPB Media B.V., maar om de belastingdruk bij [geïntimeerde] Het is [appellante] niet duidelijk waarom [accountant] een aanpassing heeft voorgesteld die niet bij de in de correspondentie besproken benadering aansluit, zoals het haar ook niet duidelijk is waarom zij op 11 januari 2011 per e-mail heeft laten weten dat de voorgestelde aanpassing goed is, aldus [appellante] Verder bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat zij niet bij conclusie van antwoord tegen het standpunt van [geïntimeerde] is opgekomen en dat de goede procesorde zich ertegen verzet dat zij zich pas bij akte heeft beroepen op een wilsgebrek. Naar [appellante] stelt, miskent de rechtbank hiermee dat dit haar eerste mogelijkheid was om hiertegen op te komen.
Naar het hof begrijpt, betwist [appellante] dat tussen partijen (wils)overeenstemming is bereikt over de belastingcorrectie, zoals door [accountant] verwoord in de e-mail van 11 januari 2011
GPB Media B.V.rustende (vennootschaps)belastingdruk en dus om een nuancering van de EBIT-maatstaf. Het houdt in dat de koopprijs van de aandelen wordt bepaald door de intrinsieke waarde daarvan niet te vermeerderen met vier maal de gemiddelde winst (vóór rente) over 2011-2014 voordat (vennootschaps)belasting is betaald, maar met vier maal de gemiddelde winst (vóór rente) over die jaren minus de helft van de daarover drukkende vennootschapsbelasting. Indien, zoals [appellante] stelt, [aandeelhouder geïntimeerde] destijds de betekenis van deze wijziging, waarmee hij zich akkoord verklaarde, niet heeft begrepen, komt dit voor zijn risico. Dit wordt niet anders door de aantekening van [aandeelhouder geïntimeerde] bij zijn akkoordverklaring: ‘De achterliggende gedachte is dat de goodwill bij het aankopen van de aandelen voor koper ([aandeelhouder appellante]) niet fiscaal aftrekbaar is. Op deze wijze delen [aandeelhouder appellante] en ik de belasting die koper niet kan verrekenen op basis van evenredigheid (50/50).’ Volgens [appellante] moet deze aantekening worden begrepen als een bereidverklaring van [appellante] om op de koopprijs volgens de oorspronkelijke formule in mindering te brengen 50% van de vermindering van de belastingdruk die [geïntimeerde] door fiscale afschrijving van de goodwill zou realiseren, indien dit voor haar zou zijn toegestaan. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] onvoldoende toegelicht dat de aantekening van [aandeelhouder geïntimeerde] bij zijn akkoord slechts in de door hem bedoelde zin kan worden begrepen. Uit de aantekening blijkt dat de onmogelijkheid voor [geïntimeerde] om op de goodwill (koopprijs boven de intrinsieke waarde) af te schrijven, voor [aandeelhouder geïntimeerde] reden was in te stemmen met de wijziging. Uit die aantekening blijkt evenwel niet dat hij alleen bereid was een bedrag ter grootte van het aldus niet door de koper genoten fiscale voordeel in mindering op de koopprijs toe te staan. De aantekening kan ook aldus worden begrepen dat [appellante] met de vermindering van de in de oorspronkelijke koopprijsformule gehanteerde bedrijfsresultaten (EBIT) van GPB Media B.V. over de jaren 2011-2014 met 50% van de daarop rustende vennootschapsbelastingdruk (waardoor de koopprijs dus niet meer op de
EBIT-waarden was gebaseerd), akkoord is gegaan bij wijze van
benaderingvan het door de koper gemiste fiscale voordeel van afschrijving over de betaalde goodwill. De omstandigheid dat de correctie ter grootte van de alsnog in aanmerking genomen belastingdruk mogelijkerwijs niet hetzelfde bedrag is als het bedrag dat [geïntimeerde] zou hebben kunnen besparen in het hypothetische geval van fiscale afschrijving op de goodwill, doet dus niet ter zake. In elk geval heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] uit de opmerking van [aandeelhouder geïntimeerde] bij zijn akkoordverklaring met het voorstel van [accountant], redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat het tekstvoorstel van [accountant] niet in overeenstemming was met de wil van [aandeelhouder geïntimeerde]. Haar stelling dat (ook) de wil van [geïntimeerde] destijds niet was gericht op de betekenis van de aanpassing zoals [geïntimeerde] deze nu bepleit, heeft [appellante], gelet op het tekstvoorstel van [accountant] en overigens mede in het licht van het voorgaande, onvoldoende onderbouwd. Haar stelling dat tussen partijen geen overeenstemming over de belastingcorrectie is bereikt, wordt om deze redenen verworpen. Grief 3 is dus ongegrond.
via GPB via [aandeelhouder geïntimeerde] controle
‘Aandeel [aandeelhouder appellante] 60% 228.000 285.000 228.000
Aandeel [aandeelhouder geïntimeerde] 40%
15257.000 95.000
152380.000 380.000’
Daaronder zijn de bedragen met omschrijvingen vermeld die door persoonlijke vennootschappen van [appellante] zouden worden gefactureerd en verder de bedragen met omschrijvingen die door GPB Media B.V. zouden worden gefactureerd. De door GPB Media B.V. te factureren bedragen en de vermelde omschrijvingen komen exact overeen met de vier facturen (exclusief BTW) van GPB Media B.V. aan Dinq van 27 januari 2014 (producties 16a t/m 16d). Uit de e-mail van 2 februari 2015 (productie17h) met als onderwerp ‘resultaat dinq’ heeft [aandeelhouder geïntimeerde] aan [accountant] (met kopie aan [aandeelhouder appellante]) bericht:
‘Bij Dinq komen we daarmee uit op een voorlopig resultaat voor 2014 van ca 366.000 (…).
Naar de buitenwereld (KVK) willen wij dit resultaat echter niet te hoog tonen.
Wij willen daarom voor EUR 240.000 factureren zodat naar buiten een consistenter beeld ontstaat met betrekking tot de kosten cijfers 2012 en 2013.
Een vergelijkbare exercitie hebben wij ook in 2013 gedaan. (…) Onze voorkeur gaat echter uit naar het rechtstreeks factu[re]ren aan Dinq van EUR 240.000 zoals hieronder weergegeven.’
Ook hier wordt van het bedrag van € 240.000 60% (€ 144.000) aan [aandeelhouder appellante] toegerekend en 40% (€ 96.000) aan [aandeelhouder geïntimeerde]. Bij e-mail van 6 februari 2015 heeft [accountant] hierop als volgt gereageerd:
‘Zoals zojuist besproken is het, het meest praktisch om de facturen vanuit GPB Media B.V. en jou[w] persoonlijke BV te sturen. Dit is dezelfde werkwijze als vorig jaar.
Let erop dat er een goede onderbouwing moet zijn van de door te berekenen kosten. Mocht het via een rechtszaak tot een boekenonderzoek komen dan moeten de extra doorberekende kosten te verdedigen zijn.
Voorstel: Factuur GPB Media € 180.000 ([aandeelhouder appellante] 80% = € 144.000 en [aandeelhouder geïntimeerde] 20% = € 36.000
Factuur PH [aandeelhouder geïntimeerde] € 60.000
Totaal € 240.000
Totaal krijgen jullie dan ieder de juiste verhouding [aandeelhouder appellante] 60% = € 144.000
en [aandeelhouder geïntimeerde] 40% = € 96.000.
Verder zou jij met [aandeelhouder appellante] afstemmen [w]elke omschrijvingen er op de facturen moet[en] komen, hoe e.a. onderbouwd moet worden.’
De drie facturen van GPB Media B.V. aan Dinq gedateerd 15 maart 2015 (producties 16e t/m 16g) bedragen bij elkaar € 180.000 (exclusief BTW).
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door [geïntimeerde] overgelegde correspondentie over doorbelastingen aan Dinq dat bij [aandeelhouder geïntimeerde] oorspronkelijk het idee voorzat om doorbelastingen te laten plaatsvinden vanuit [appellante] en [geïntimeerde] (e-mail [aandeelhouder geïntimeerde] 11 maart 2014, productie 17A bij de akte van [geïntimeerde] van 14 juni 2017). Zou die opzet zijn gevolgd, dan zou de desbetreffende opbrengst niet nog een keer zijn teruggekomen als onderdeel van de door [geïntimeerde] te betalen koopprijs voor de aandelen van [appellante] in GBP Media B.V. Pas na advies van [accountant] hebben partijen ervoor gekozen om de doorbelastingen grotendeels te laten plaatsvinden vanuit GBP Media B.V., kennelijk vanwege de daarvoor door [accountant] aangevoerde fiscale redenen. [appellante] zou echter ook een deel rechtstreeks doorbelasten, opdat per saldo 40% van de doorbelastingen ter gunste zouden komen aan [appellante] en 60% aan [aandeelhouder appellante] Beheer B. V.: precies hun aandelenverhouding in Dinq. Wat er zij van het standpunt van [appellante] dat het om reële kosten van GBP Media B.V. ging, partijen hebben ervoor gekozen om deze kosten – in de vorm van doorbelastingen aan Dinq – af te wikkelen conform hun aandelenverhouding op het niveau van Dinq. Bij die keuze en kennelijke bedoeling (mede in het licht van de oorspronkelijke opzet van partijen om de doorbelasting niet vanuit GBP Media B.V. te laten plaatsvinden) past naar het oordeel van het hof niet dat (80% van) de desbetreffende opbrengst ook nog een keer zou terugkeren in het resultaat van GBP Media B.V. ten behoeve van de berekening van de koopprijs voor het aandelenpakket van [appellante] heeft ook niet toegelicht hoe, wanneer de “correctie Dinq” niet in deze zin zou worden doorgevoerd, haar eigen doorbelasting aan Dinq van 20% van het totaal, buiten GBP Media B.V. om, is te rechtvaardigen. In het licht hiervan gaat het hof voorbij aan de bezwaren van [appellante] tegen het oordeel van de rechtbank. Grief 4 kan dan ook niet slagen.
handelsrente. Het eindvonnis zal op dit punt worden vernietigd en de vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente over de koopprijs zal alsnog worden toegewezen.
Nu [appellante] in hoger beroep deels – op enkele ondergeschikte punten – in het gelijk is gesteld maar ook deels in het ongelijk – haar belangrijkste grieven zijn ongegrond bevonden – ziet het hof aanleiding te bepalen dat zij in hoger beroep haar eigen kosten dient te dragen.
Beslissing
- bekrachtigt het eindvonnis van de rechtbank Den Haag van 10 januari 2018 voor het overige;
- bepaalt dat [appellante] in hoger beroep haar eigen kosten draagt.