Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het geding
2.Inleiding
- i) [verweerster] is sinds 17 november 1997 werkzaam bij [verzoekster]. Zij werkte laatstelijk als purchase manager gedurende 28 uur per week. Zij ontvangt een salaris van € 3.497,74 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.
- ii) [verweerster] is begin 2018 langdurig arbeidsongeschikt geraakt. Haar arbeidsongeschiktheid houdt geen verband met de werkzaamheden die zij voor [verzoekster] verricht. De arbeidsongeschiktheid duurt tot op heden voort.
- iii) [verweerster] heeft een jarenlange relatie gehad met [X]. Zij hebben samen twee kinderen. Deze relatie is begin 2019 geëindigd.
- iv) [X] is ook lange tijd werkzaam geweest bij [verzoekster]. Hij bekleedde de functie van business controller en hoofd van de financiële afdeling van [verzoekster]. Kort nadat hij per 1 december 2018 uit dienst is gegaan, is [verzoekster] tot de conclusie gekomen dat [X] tezamen met enkele andere personen jarenlang geld heeft weggesluisd. Het gaat naar schatting van [verzoekster] om een bedrag van tussen de € 1,5 en € 1,8 miljoen.
- v) Op 21 december 2018 heeft [verzoekster] met [verweerster] gesproken over de door [X] gepleegde fraude. [verweerster] is die dag op non-actief gesteld.
- vi) [verzoekster] heeft conservatoir beslag gelegd op de bezittingen van (onder anderen) [X] en [verweerster]. Zij is een procedure begonnen tegen (onder anderen) [X] en [verweerster] om de (volgens [verzoekster]) verduisterde bedragen terug te krijgen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in beroep was deze procedure nog niet afgerond.