Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 mei 2019
STICHTING WOONBRON ROTTERDAM,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1houdt verband met de feitenvaststelling in het bestreden vonnis. Volgens de Kopers geeft deze grief het hof de mogelijkheid de feiten in deze procedure “aan te vullen en opnieuw/anders te waarderen”. De grief bevat slechts één concrete klacht, te weten dat de rechtbank ten onrechte niet heeft vastgesteld dat de Kopers geen verkoopbrochure met duidelijke informatie over de koperskorting hebben ontvangen. Met deze klacht heeft het hof hierboven in overweging 1.5. rekening gehouden.
Grieven 2 tot en met 5zijn gericht tegen de verwerping van het beroep van de Kopers op dwaling en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
Grief 6houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een onredelijk bezwarend beding.
Grief 7is gericht tegen de verwerping van het beroep op onvoorziene omstandigheden en
grief 8heeft geen zelfstandige betekenis. Het hof gaat hieronder bij de bespreking van de desbetreffende geschilpunten in op grieven 2 tot en met 7.
ten gevolge van deKoopgarantbepalingen met een
hoge restschuldachterblijven, kan het hof ook niet volgen. Daargelaten dat het nog niet van daadwerkelijke terugkoop is gekomen en dat bovendien niet bekend is of de Kopers de hele uitgifteprijs hebben gefinancierd en of zij al dan niet iets hebben afgelost, is van een restschuld
als gevolg van de terugkoopregelinghoe dan ook geen sprake. Woonbron merkt terecht op dat waar de Kopers het over “restschuld” hebben, zij waarschijnlijk eigenlijk “verlies” bedoelen. Dit verlies is het gevolg van de marktwaardeontwikkeling en zou nog groter zijn geweest als de Kopers op de vrije markt zouden hebben gekocht.
“in deze memorie beschreven kwestie inzake de taxaties bij aan- en verkoop”(memorie van grieven onder 94). Het hof begrijpt hieruit dat ook het subsidiaire verzoek op grond van artikel 202 Rv Pro (voorlopig deskundigenonderzoek) verband houdt met de onderhavige procedure (vgl. lid 2 van artikel 202 Rv Pro); iets anders hebben de Kopers ook niet gesteld. Dit betekent dat ook het verzoek om een voorlopig deskundigenonderzoek afstuit op hetgeen hiervoor is overwogen.