Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 juni 2019
STICHTING CHRISTELIJKE GEMEENTE NEDERLAND,
NRC MEDIA B.V.,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3]
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
“vanuit haar positie (kon) beschikken over informatie die zekerheid geeft over de status van de relatie tussen de Noorse broeders en Rabobank”(memorie van antwoord 6.19). CGN stelt dat het om de woordvoerder van de Rabobank gaat, maar heeft evenmin een naam genoemd. Omdat partijen erover twisten of sprake is van een “bron” zal de persoon hierna worden aangeduid als “de anonieme contactpersoon”. [geïntimeerde 3] heeft de anonieme contactpersoon gevraagd of deze kon bevestigen dat de Rabobank af wilde van de Noorse broeders en dat de beëindiging van de bancaire relatie niet was beperkt tot een bepaalde persoon of entiteit. De reactie per iMessage op 10 mei 2017 om 16.52 luidde als volgt (de stukken tussen [..] zijn door NRC onleesbaar gemaakt, hof):
“Vraag is niet te beantwoorden zonder te veel details te geven. Sorry”
“Oke, maar het besluit is dus genomen.”
“Dat [….] ervan willen: absoluut. Ervan af.”
“Dank, ik kom morgenvroeg ff terug met tekst”
“Prima. Fijne avond”
toegelicht. (...) Rabobank verwijst in haar brief naar mailverkeer van 27 en 28 januari 2016 van de heren [X], [Y] en [Z]. Deze
van de broeders. Voor de gemiddelde lezer is voldoende duidelijk dat de brief betrekking heeft op iemand die behoort tot dat netwerk en als 'oud-broeder' kan [Z] als zodanig worden beschouwd. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat [geïntimeerde 3] en NRC ter zake journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
grief 1betoogt CGN dat de voorzieningenrechter niet het juiste toetsingskader heeft toegepast. Volgens CGN komt haar een beroep toe op artikel 8 EVRM Pro en moeten de artikelen 8 en 10 EVRM dus tegen elkaar worden afgewogen, waarbij de conclusie moet zijn dat artikel 8 EVRM Pro in dit geval zwaarder weegt.
Grief 2luidt dat de voorzieningenrechter de passages in de context van het artikel als geheel had moeten beoordelen en niet elke passage afzonderlijk had moeten bekijken. Met
grief 3voert CGN aan dat er geen enkel bewijs is voor de bewering dat de Rabobank haar relatie met CGN verbreekt en dat de publicatie dus geen grond vindt in de feiten.
Grieven 4 tot en met 6houden in dat [geïntimeerde 3] geen gebruik heeft gemaakt van deugdelijke bronnen. Met
grief 7betoogt CGN dat [geïntimeerde 3] onvoldoende wederhoor heeft toegepast en de reactie van CGN onvoldoende in het artikel van 11/12 mei 2017 heeft verwerkt.
Grief 8is gericht tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om de vorderingen II en III niet-ontvankelijk te verklaren voor zover deze vorderingen betrekking hebben op de publicaties uit 2016, dit omdat in zoverre het spoedeisend belang ontbreekt. CGN merkt uitdrukkelijk op dat vordering II uitsluitend ziet op het artikel van 11/12 mei 2017. CGN voert voorts aan dat vordering III betrekking heeft op de publicatie van een groot aantal vertrouwelijke stukken en dat de vraag of die stukken verwijderd moeten worden een separate individuele toets op basis van artikel 8 EVRM Pro vergt. Volgens CGN is in zoverre wel degelijk sprake van een spoedeisend belang.
Grief 9, tot slot, betreft de toewijsbaarheid van de vorderingen jegens [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] in privé.
“De vraag of die beschuldigingen in de publicaties door NRC mochten worden gedaan valt buiten het bestek van dit kort geding. De CGN heeft aangekondigd hierover een bodemprocedure te willen beginnen. Voor zover de CGN stelt dat het verwijzen naar die beschuldigingen in dit artikel onrechtmatig is, wordt dit verworpen. De (on)rechtmatigheid van het verwijzen naar een beschuldiging kan niet los van de juistheid van de beschuldiging als zodanig worden beoordeeld. Daarvoor ontbreekt echter, als eerder vermeld, het spoedeisend belang.”CGN heeft hiertegen geen grief gericht. Dit betekent dat het hof niet inhoudelijk zal ingaan op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de (on)juistheid van bedoelde beschuldigingen en dat de enkele verwijzing in het artikel van 11/12 mei 2017 naar die eerder, in 2016 geuite beschuldigingen geen grond kan zijn voor toewijzing van (één van) de vorderingen. Het hof voegt hier volledigheidshalve aan toe dat geen sprake is van nieuwe beschuldigingen.
(“Rabo stopt met Noorse broeders”) en de eerste zin van het artikel van 11 mei 2017 (
“Rabobank verbreekt haar relatie met de Noorse broeders”) kunnen de (onjuiste) indruk wekken dat destijds reeds sprake was van een voldongen feit. [geïntimeerde 3] heeft in die eerste zin de door de anonieme contactpersoon voorgestelde wijziging (
“verbreekt”vervangen door
“wil….verbreken”) niet overgenomen. CGN voert aan dat de gemiddelde krantenlezer (alleen) de krantenkoppen leest, maar wat daar ook van zij, de kop is niet de meetlat voor de onrechtmatigheid van het hele artikel. Een kop mag scherp worden aangezet en een vergroving van de inhoud van het bijbehorende artikel bevatten (vgl. de conclusie van de Raad voor de Journalistiek, hierboven onder 1.18). Het hof is met de voorzieningenrechter (en de Raad voor de Journalistiek) van oordeel dat de door de kop en eerste zin van de inleiding gewekte (onjuiste) indruk voldoende wordt genuanceerd en gecorrigeerd in de rest van het artikel. Direct na de hiervoor bedoelde eerste zin staat immers dat de Rabobank een eind
wilmaken aan de relatie. Voorts is aan het eind van het artikel de kern van de reactie van CGN verwerkt, te weten dat Rabobank met CGN in gesprek wil en dat de bank heeft laten weten dat een gesprek niet betekent dat zij de relatie zal verbreken. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 3] voldoende gelegenheid heeft gegeven voor wederhoor en de reactie adequaat heeft verwerkt (vgl. wederom de conclusie van de Raad voor de Journalistiek op dit punt, hierboven onder 1.18.).
voornemensis de relatie met de Noorse Broeders te verbreken en dat dit besluit (dit woord is door de anonieme contactpersoon – volgens CGN de woordvoerder van de Rabobank – toegevoegd) is genomen na berichtgeving in de NRC. Dit is feitelijk juist. De vermelding in het artikel dat het verbreken van de bancaire relatie een vergaande maatregel is die ook wordt toegepast bij criminele organisaties en terrorismeverdachten, is eveneens feitelijk juist en niet onnodig diffamerend. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat al eerder kritische berichten over CGN en aan haar gelieerde entiteiten waren gepubliceerd, ook door andere media dan NRC Media, en dat het onderhavige artikel een bijdrage kon leveren aan het maatschappelijke debat. Wat betreft de klacht van CGN dat in het artikel ten onrechte niet is vermeld dat de brief waaruit in het artikel is geciteerd, niet is gericht aan CGN, maar aan het onder 1.4. bedoelde bestuurslid van HMC, sluit het hof zich aan bij hetgeen de Raad voor de Journalistiek daarover heeft overwogen (zie hierboven onder 1.18.).
“ok, dank voor de update”(zie hierboven onder 1.10.), wel degelijk in redelijkheid mocht opvatten als goedkeuring van de toegezonden, aangepaste tekst van de inleiding, dus inclusief de eerste zin.