Uitspraak
Gerechtshof Den Haag
Arrest
[verdachte],
16 september 2019.
Gerechtshof Den Haag
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat het onderzoek in eerste aanleg nietig is verklaard. De nietigheid vloeit voort uit het feit dat de raadsman van de verdachte niet op de wettelijk voorgeschreven wijze op de hoogte was gesteld van de terechtzitting van 18 maart 2019.
De raadsman was niet verschenen bij de zitting en er is geen bewijs dat hem een afschrift van de dagvaarding was gezonden, zoals vereist volgens artikel 48 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Een enkele aantekening op de dagvaarding volstaat niet en ook een e-mailbericht aan het algemene kantooradres van de raadsman was onvoldoende om te stellen dat hij tijdig bekend was met de zitting.
De rechtbank had ondanks het ontbreken van de raadsman telefonisch navraag gedaan bij diens kantoor, maar dit bood geen zekerheid over diens kennis van de zittingsdatum. Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen en dat het vonnis daarom vernietigd moet worden.
Het hof wijst de zaak terug naar de rechtbank Den Haag om de zaak verder te behandelen met inachtneming van dit arrest, zodat de procedure correct kan worden voortgezet.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en wijst de zaak terug naar de rechtbank wegens nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg.