Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 1 oktober 2019
[appellant] ,
Uniper Benelux N.V.,
Het geding
De feiten en het geding in eerste aanleg
“
(…) Per 1 oktober 2018 eindigt voor jou het op 1 oktober 2017 gestarte ‘begeleidingstraject van werk naar werk’ conform het Sociaal Plan ten behoeve van de opvang van de nadelige personele consequenties als gevolg van de sluiting van de Maasvlakte 1 & 2.Nu het einde van dit traject nadert, is op jou artikel 7.3.2. van voornoemde Sociaal Plan, van toepassing. In dit artikel is de afwikkeling van het einde van het begeleidingstraject vastgelegd. Hetgeen betekent dat indien jij aan het einde van de begeleidingsperiode geen passend cq ander werk hebt gevonden, de met jou bestaande arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2018 zal zijn beëindigd.Zoals overeengekomen, ontvang je bij beëindiging een uitkering ter hoogte van het individueel toegekende deel van het maatwerkbudget op basis van de berekeningsgrondslag in artikel 3.13. Hierop wordt in mindering gebracht het tijdens de periode van Werk naar Werk al gebruikte maatwerkbudget. Hiervan ontvang je dan bij einde dienstverband, een eindafrekening.Het einde dienstverband na de periode van Begeleiding van Werk naar Werk wordt aangemerkt als ontslag als gevolg van reorganisatie, zodat jij aanspraak kan maken op de aanvulling van de WW zoals bepaald in artikel 18.4 van de oude CAO Plb 2013-2015. (…)”
“
(…) Voor de goede orde bevestigen wij dat –conform het Sociaal Plan ten behoeve van opvang van de nadelige personele consequenties als gevolg van de sluiting van de Maasvlakte 1 & 2 –de met jou bestaande arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2018 zal eindigen.Voor de details met betrekking tot de administratieve afhandeling, verwijzen wij naar onze brief HR 0170B HV/sa van 29 juni jl.Rest ons nog jou voor de toekomst alle goeds toe te wensen.”
“
(…) In uw aangetekend schrijven van 21 september 2018, verwijst u naar een brief van 29 juni 2018 m.b.t. de administratieve afhandeling.Deze brief is mij niet bekend. Kunt u mij deze, eventueel per e-mail, alsnog doen toekomen? (…)”
De procedure en de beoordeling in hoger beroep
De stelling van Uniper dat de brief van 29 juni 2018 tot uitgangspunt moet worden genomen om de aanvang van de opzegtermijn te markeren omdat [appellant] bij inleidend verzoekschrift de vernietiging heeft verzocht van de opzegging onder verwijzing naar de brief van 29 juni 2018, onderschrijft het hof niet. [appellant] wenste aanvankelijk vernietiging van de opzegging en die opzegging was verwoord in de brief van 29 juni 2018. Dat [appellant] opkwam tegen de in de brief van 29 juni 2018 verwoorde opzegging maakt nog niet dat [appellant] daarmee een opzegging per 29 juni 2018 erkende en dat dientengevolge de opzegtermijn vanaf 1 juli 2018 berekend moet worden.
Of en in hoeverre rekening wordt gehouden met het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort de mate waarin de werkgever van het einde van het dienstverband een verwijt kan worden gemaakt. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding dient bovendien de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding (hier: de maatwerkvergoeding) en/of vergoeding wegens onregelmatige opzegging te worden betrokken.
Daar komt bij dat, ook als de inhoudelijke beslissing van het UWV bij kantonrechter en hof stand zou houden, daarmee nog niet aannemelijk is dat [appellant] tot aan zijn (officiële) pensioendatum bij Uniper zou hebben gewerkt. Uniper voert terecht aan dat de toekomst van kolencentrales in Nederland onzeker is. De nog fungerende kolencentrale mag weliswaar tot 2030 op kolen gestookt worden maar voor die tijd moet er een alternatieve brandstof of energiebron worden gevonden. Het standpunt van [appellant] impliceert dat er in deze onzekere markt in transitie in 15 jaar geen personeelsreductie waardoor [appellant] zou worden getroffen meer plaats zou vinden. Het hof acht dit onwaarschijnlijk. Gelet op voorgaande overwegingen acht het hof het, uitgaande van de goede en kwade kansen en het feit dat er reeds twee kolencentrales zijn gesloten, reëel rekening te houden met een voortgezette duur van de arbeidsovereenkomst van drie jaar ná 1 oktober 2018.
Beslissing
In het principaal en het incidenteel hoger beroep:
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 7 februari 2019;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal hoger beroep, aan de zijde van Uniper tot heden begroot op € 741,- aan griffierecht en (2 punten x € 4.678 (tarief VII) =) € 9.356,- aan salaris advocaat;
- veroordeelt Uniper in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot heden begroot op (1/2 keer 2 punten x € 1.074 (tarief II) =) € 1.074,-aan salaris advocaat;
- wijst af het meer of anders verzochte.