In deze zaak vorderen de ouders vernietiging van een arbitraal deelvonnis dat hun zoon het recht geeft het melkveebedrijf van de maatschap voort te zetten. Het geschil draait om wie gerechtigd is de onderneming voort te zetten en welke vergoeding daarbij hoort.
Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat de zoon op grond van de maatschapsovereenkomst het recht heeft het bedrijf voort te zetten vanaf 1 januari 2014, de datum waarop de ouders de maatschap hebben opgezegd. De ouders stelden dat het scheidsgerecht buiten zijn opdracht trad en dat de motivering van de afwijzing van hun reconventionele vorderingen gebrekkig was.
Het hof oordeelt dat het scheidsgerecht zich aan zijn opdracht heeft gehouden, de motivering voldoende is en dat de ouders geen nieuwe feiten hebben aangevoerd die tot een andere beslissing leiden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de ouders worden veroordeeld in de kosten van het geding.