Belanghebbende, werkzaam op een Nederlands geregistreerd binnenvaartschip, was in 2013 deels in dienst bij een Cypriotische en deels bij een Liechtensteinse werkgever. De SVB gaf een A1-verklaring af die bevestigde dat belanghebbende in Nederland verzekerd was van 1 januari tot en met 31 juli 2013. De Inspecteur stelde de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen vast en weigerde vrijstelling van Nederlandse premieheffing.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en het Hof bevestigde dit oordeel. Het Hof oordeelde dat belanghebbende geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Cyprus of Liechtenstein belastingheffing heeft ondergaan. Evenmin is verrekening van loonbelasting mogelijk omdat geen inhouding heeft plaatsgevonden en geen nettoloonafspraak aannemelijk is gemaakt.
Verder oordeelde het Hof dat de door belanghebbende betaalde premies aan buitenlandse socialezekerheidsfondsen niet aftrekbaar zijn, conform het Besluit Voorkoming dubbele belasting. De procedure duurde niet onredelijk lang, zodat geen vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend. Ook is geen proceskostenvergoeding verschuldigd omdat de A1-verklaring uit Liechtenstein pas na het opleggen van de aanslag is overgelegd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd.