ECLI:NL:GHDHA:2019:2228
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep echtscheiding met geschil over hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie
Partijen zijn gehuwd in 2014 en hebben twee minderjarige kinderen. Na hun scheiding is de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder vastgesteld, met een zorgregeling verdeeld over de weken. De vader verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats en een aangepaste zorgregeling in de zomervakantie, terwijl de moeder verzocht om aanpassing van de kinderalimentatie, verdeling van inboedel en schulden.
Het hof bevestigde dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, omdat enkel fiscale voordelen onvoldoende zijn voor wijziging en continuïteit in het belang van de kinderen is. De zorgregeling voor de zomervakantie werd aangepast zodat de kinderen gedurende de drie weken dat het bedrijf van de vader gesloten is bij hem verblijven, en de overige drie weken bij de moeder.
De kinderalimentatie werd herzien per 1 augustus 2019, waarbij rekening is gehouden met de opvangkosten die de vader vanaf die datum zelf draagt. De schuld aan de kinderopvang werd gelijkelijk verdeeld tussen partijen. De verdeling van de inboedel werd deels vernietigd vanwege onvoldoende bewijs van waarde en bezit. De man werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de vrouw uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
De beschikking is grotendeels uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de overige verzoeken in hoger beroep werden afgewezen.
Uitkomst: Hoofdverblijf blijft bij moeder; zorgregeling zomervakantie aangepast; kinderalimentatie per 1 augustus 2019 vastgesteld op €115 per kind; schuld kinderopvang gelijk verdeeld; man betaalt €2.499,62 aan vrouw.