Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 12 februari 2019
[appellante],
1. [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
Het verloop van het geding
De feiten en het geschil in eerste aanleg
De beoordeling van het hoger beroep
Dit verweer treft geen doel. Uit de appeldagvaarding volgt weliswaar dat [appellante] alleen in hoger beroep komt van het eindvonnis van 24 oktober 2016, maar uit haar memorie van grieven blijkt dat zij ook opkomt tegen overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 17 maart 2016. Wanneer in hoger beroep vernietiging wordt gevorderd van een vonnis dat voortbouwt op een in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis, staat het de appellant vrij om in zijn memorie van grieven ook grieven te richten tegen overwegingen van dat tussenvonnis. Zijn appel moet dan geacht worden ook daartegen gericht te zijn. De belangen van de geïntimeerde worden door een dergelijke gang van zaken niet geschaad (HR 14 oktober 1983, NJ 1984/47).
Zoals de rechtbank in het tussenvonnis onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 november 1999 (ECLI:NL:1999:AA3369) terecht tot uitgangspunt heeft genomen, geldt in geval van overeenkomsten tussen familieleden waarbij voor onbepaalde tijd renteloos geld wordt verstrekt, zoals in deze zaak, dat op grond van artikel 3:307, tweede lid, BW de verjaringstermijn van vijf jaar pas loopt van de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising over te gaan.
Voor zover [appellante] met haar toelichting bij grief 1, dat de afspraak was dat zij en de zoon de lening zouden terugbetalen met de opbrengst van de verkoop van hun toenmalige woning, ook heeft bedoeld te betogen dat daarmee geen sprake was van een lening voor onbepaalde tijd en dat de vordering tot terugbetaling met de verkoop van de woning in 2004 al opeisbaar was, kan zij daarin niet worden gevolgd. Met de afspraak dat de lening zou worden terugbetaald met de opbrengst van de verkoop van de woning, is naar het oordeel van het hof nog geen sprake van opeising van de lening en/of van een voor nakoming bepaalde termijn. Uit die afspraak volgt immers niet binnen welke termijn na verkoop van de woning [appellante] en de zoon de lening moesten terugbetalen.
Verder is volgens [appellante] ter comparitie in eerste aanleg “duidelijk naar voren gekomen dat [geïntimeerde 1] al in 2005 tegen [appellante] gezegd zou hebben dat het om geld ging dat terugbetaald diende te worden”. Deze mededeling is naar het oordeel van het hof in zijn algemeenheid echter onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [geïntimeerden] de lening toen al daadwerkelijk opeiste, of dat [appellante] (die het doen van deze mededeling bovendien ontkent) dat toen zo heeft begrepen of heeft mogen begrijpen. Deze mededeling duidt er als zodanig slechts op dat [geïntimeerden] zich op het standpunt stelden dat sprake was van een overeenkomst van geldlening, dat wil zeggen van een overeenkomst die een verplichting tot terugbetaling van het verstrekte geld inhield (derhalve geen schenking), maar niet dat die verplichting tot terugbetaling toen al diende te worden nagekomen. Dat in 2005 feitelijk opeising van de lening heeft plaatsgevonden, waarbij bijvoorbeeld een tijdstip of termijn voor nakoming zou zijn genoemd, blijkt niet uit deze mededeling. Ook grief 2 kan dus niet slagen.