De bewindvoerder van een onder bewind gestelde rechthebbende heeft in hoger beroep verzocht om machtiging tot het doen van een schenking van €187.633,07 aan erfgenamen. De kantonrechter had een eerder verzoek tot schenking van €50.000,- afgewezen. Het hof oordeelt dat de toestemming van de rechthebbende of een machtiging van de kantonrechter vereist is voor dergelijke beschikkingshandelingen.
Het hof stelt vast dat de rechthebbende niet in staat is haar wil te bepalen en dat er geen schenkingstraditie bestaat. De bewindvoerder voerde bijzondere omstandigheden aan, waaronder de wens van de rechthebbende dat de opbrengst van haar woning naar haar ouders zou gaan, maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om van de hoofdregel af te wijken.
Ook het argument dat na schenking nog voldoende vermogen overblijft, weegt niet op tegen het belang van het behoud van het verzorgingsniveau van de rechthebbende. Het hof bekrachtigt daarom de bestreden beschikking en wijst het verzoek tot machtiging tot schenking af.