Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 16 juli 2019
[appellant] ,
Meram Rotterdam West B.V.,
Verloop van het geding in hoger beroep
Beoordeling van het hoger beroep
“rekening-courantovereenkomst (geldleningsovereenkomst)”is kort gezegd vast gelegd dat [appellant] , [broer 3] en [broer 1] tot genoemde datum respectievelijk € 88.000,-, € 89.442,- en € 95.000,- aan privé-opnames uit Meram Zuid hebben gedaan, dat deze opnames worden omgezet in een geldlening (in rekening-courant) en dat [appellant] , [broer 3] , [broer 1] en [appellant] Holding zich tot hoofdelijk medeschuldenaar verklaren voor het totaal van de opnames, € 272.442,-. Over deze geldlening is een rente verschuldigd van 4% per jaar.
primaireen bedrag van € 385.695,- (het totaal van de rekening-courantschuld inclusief rente van € 289.006,47 waarvoor [appellant] op grond van de overeenkomst van 24 december 2015 hoofdelijk aansprakelijk is en het kasverschil bij Meram West van € 96.688,54), subsidiair een bedrag van € 289.006,47 en meer subsidiair een bedrag van € 88.000,- (zijnde het aandeel van [appellant] in de rekening-courantschuld).
teruggestortin de kas, door wie dat is gedaan en hoe en door wie dat dan is genoteerd.