Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaak-rolnummer rechtbank : 3398853 CV EXPL 14-43658
arrest van 25 juni 2019
[appellant] ,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Ter voldoening aan de bewijsopdracht heeft [appellant] op 7 december 2018 zichzelf als getuige doen horen, alsmede [X] , notarisklerk bij [naam] Netwerk Notarissen. Vervolgens heeft [appellant] en daarna [geïntimeerde] een memorie na enquête genomen. Hierna is arrest gevraagd.
Verdere beoordeling van het hoger beroepHet geschil in hoger beroep
a) Een bedrag van € 1.854,68 aan kleinere betalingen in 2012 aan/ten behoeve van [geïntimeerde] (variërend van € 50 tot 375). Het gaat hierbij onder meer om hypotheeklasten, energierekeningen en gemeentelijke belastingen.
b) Een bedrag van € 5.000, dat hij op verzoek van [geïntimeerde] op 7 januari 2013 heeft overgemaakt op de rekening van de oom van [geïntimeerde] , de heer [naam oom] .
c) Een bedrag van € 3.095, dat hij op 20 februari 2013 ten behoeve van [geïntimeerde] bij ‘Optical Express’ in Amsterdam heeft gepind. [geïntimeerde] heeft daar een ooglaserbehandeling ondergaan.
d) Een bedrag van in totaal € 1.070,18 aan kleinere betalingen in 2013 ten behoeve van [geïntimeerde] , onder meer aan de Gemeente Vlaardingen, Eneco en de hypotheekbank.
De bedragen b), c) en d) in 2013 belopen tezamen een bedrag van € 9.165,18.
Omdat het inmiddels (eind 2012), mede gelet op de te verwachten betalingen door [appellant] , om aanzienlijke bedragen ging, hebben partijen een afbetalingsregeling afgesproken en zijn zij daartoe begin januari 2013 samen naar het notariskantoor [naam] in [plaats] gegaan. De notarisklerk [X] heeft voor hen een schuldbekentenis opgesteld (productie 2 inleidende dagvaarding). Deze schuldbekentenis is op 7 januari 2013 aan [appellant] gezonden. [geïntimeerde] heeft echter onverwachts afgezien van het tekenen van deze schuldbekentenis. Hoewel [appellant] op een gegeven moment begreep dat [geïntimeerde] niet ging tekenen, is hij blijven doorgaan met geld lenen. Hij was bang dat hij het eerder uitgeleende geld anders nooit zou terugkrijgen.
[geïntimeerde] heeft bij comparitie van 19 januari 2015 hier nog aan toegevoegd dat zij het boodschappengeld heeft terugbetaald. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] haar standpunt dat zij niets verschuldigd is aan [appellant] gehandhaafd.
Beoordeling van de grieven
Ten aanzien van bedrag a) voorts
€ 1.854,68 een overeenkomst van geldlening ten grondslag heeft gelegen. In dit verband wijst het hof erop dat [appellant] zelf heeft gesteld dat hij [geïntimeerde] heeft geholpen toen zij na de dood van haar vader in financieel benarde omstandigheden kwam te verkeren. [geïntimeerde] heeft in de gegeven omstandigheden aanvankelijk dan ook niet hoeven te begrijpen dat zij deze bedragen moest terug betalen. Dat (achteraf) is afgesproken dat [geïntimeerde] (ook) dit bedrag zou terugbetalen, heeft [appellant] niet bewezen. Voor zover [appellant] hierover als getuige heeft verklaard, heeft zijn verklaring als getuige op wie de bewijslast rust, slechts beperkte bewijskracht (artikel 164 lid 2 Rv Pro). De in het geding gebrachte video-opname en de transcriptie daarvan bij memorie van grieven (wat hier ook van zij), de getuigenverklaringen van [X] , [Y] en [Z] zijn onvoldoende specifiek om het onvolledige bewijs in dit opzicht te kunnen aanvullen..
Ten aanzien van de bedragen b) en c) voorts
Ten aanzien van bedrag d) voorts
Beslissing
- vernietigt het tussen partijen gewezen eindvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, van 15 januari 2016, en
- veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest aan [appellant] te betalen een bedrag van € 9.165,18, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der inleidende dagvaarding (1 september 2014) tot aan de algehele voldoening;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 15 januari 2016 begroot op € 93,80 aan kosten uitbrengen dagvaarding, € 77,-- aan griffierecht en € 1.350 aan salaris gemachtigde;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 77,75 aan kosten uitbrenging dagvaarding, € 314 aan griffierecht en € 2.277 aan salaris advocaat;
- wijst af het meer of anders gevorderde.