Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 4 juni 2019
Nederlandse Koolzuur Centrale B.V.,
[geïntimeerde] B.V.,
Het geding
De feiten
5. NKC stelt nieuwe aluminium brandblussers in bruikleen aan De Klant ter beschikking. De brandblussers zijn en blijven onvervreemdbaar eigendom van NKC. De Klant gebruikt de brandblussers uitsluitend als proefblussers voor trainingsdoeleinden waarbij de brandblussers niet aan een derden ter beschikking worden gesteld. Alle brandblussers dienen door De Klant in goede staat en binnen één maand na levering aan NKC ter hervulling worden aangeboden.
6. Deze overeenkomst treedt in werking vanaf het moment van ondertekening en eindigt (...) 5 jaar na de eerste levering. (…)
7. De algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden van NKC zijn een integraal onderdeel van deze overeenkomst. Een exemplaar van deze voorwaarden is de klant voor de ondertekening van deze overeenkomst ter hand gesteld. (…).”
5. NKC stelt nieuwe aluminium brandblussers in bruikleen aan de Klant ter beschikking. De brandblussers zijn en blijven onvervreemdbaar eigendom van NKC. De Klant gebruikt de brandblussers uitsluitend als proefblussers voor trainingsdoeleinden waarbij de brandblussers niet aan een derden ter beschikking worden gesteld. Alle brandblussers dienen door De Klant in goede staat en binnen één maand na levering aan NKC ter hervulling worden aangeboden.
6. Deze overeenkomst treedt in werking vanaf het moment van ondertekening en eindigt (...) 5 jaar na de eerste levering. (…)
7. De algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden van NKC zijn een integraal onderdeel van deze overeenkomst. Een exemplaar van deze voorwaarden is de klant voor de ondertekening van deze overeenkomst ter hand gesteld. (…).”
De vordering en de beslissing in eerste aanleg
primair:
De beoordeling van het hoger beroep
“De Klant koopt zijn volledige behoefte aan koolzuur/sproeischuim bij NKC”. Dit kan naar het oordeel van het hof niet anders worden uitgelegd dan dat [geïntimeerde] de verplichting op zich heeft genomen om (gedurende vijf jaar) al het door haar benodigde koolzuur en sproeischuim af te nemen van NKC. Nu vast staat dat [geïntimeerde] dat niet heeft gedaan, is zij toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Dit betekent dat [geïntimeerde] de door NKC geleden schade moet vergoeden. Voor zover [geïntimeerde] in eerste aanleg bedoeld heeft te stellen dat NKC te lang heeft stilgezeten voordat zij de procedure aanhangig maakte, gaat het hof aan deze stelling voorbij, nu [geïntimeerde] niet heeft aangegeven welke conclusie hieraan zou moeten worden verbonden. In de gegeven omstandigheden is in ieder geval een eventueel beroep op rechtsverwerking niet deugdelijk onderbouwd, terwijl van verjaring geen sprake is, zoals ook [geïntimeerde] erkent.
“aan de hand van de omzet gedurende de laatste drie jaar dat afnemer stipt is nagekomen”. [geïntimeerde] betoogt dat de schade volgens deze berekeningswijze nul is; de omzet was immers nul. NKC geeft toe dat artikel 12.3 volgens de letter inhoudt dat de gefixeerde schadevergoeding op nul zou uitkomen, maar zij stelt zich op het standpunt dat niet kan worden volstaan met een zuiver taalkundige uitleg: gekeken moet worden naar de partijbedoeling. NKC stelt vervolgens dat de partijbedoeling van NKC is dat bij het bepalen van de schade moet worden aangesloten bij de omzet die NKC bij correcte nakoming door [geïntimeerde] zou hebben gehaald. Als dat niet zou opgaan, dan geldt dat artikel 12.3 een leemte bevat die moet worden aangevuld naar de normen van redelijkheid en billijkheid overeenkomstig artikel 6:248 lid 1 BW Pro, zodanig dat de gefixeerde schadevergoeding moet worden berekend naar de omzet die NKC bij correcte nakoming door [geïntimeerde] zou hebben gehaald.