Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 23 november 2018
[X] te [Z] , belanghebbende,
de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, de Ontvanger,
Procesverloop
Feiten
De Rechtbank
voorbelasting aangegeven
verzoeken
€ 44.269
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende, bestuurder en voorzitter van een coöperatie, is aansprakelijk gesteld voor de niet-betaalde omzetbelasting van de coöperatie over de jaren 2010-2013. De naheffingsaanslagen zijn opgelegd na een boekenonderzoek dat diverse correcties omvatte, waaronder aansluitingsverschillen, omzetcorrecties en niet aangegeven omzet.
De rechtbank had de aansprakelijkstelling verminderd tot € 34.315 en belanghebbende stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat hij niet aansprakelijk was. Het hof bevestigt echter dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet aansprakelijk is en dat de administratie van de coöperatie ernstig nalatig en onzorgvuldig was, mede gezien zijn fiscale deskundigheid.
Het bewijsvermoeden van artikel 36, vierde lid, Invorderingswet 1990 is niet in strijd met het Europese evenredigheidsbeginsel. Het hof oordeelt dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd voor de correcties die niet konden worden weerlegd en dat belanghebbende onvoldoende heeft gespecificeerd of aannemelijk gemaakt dat relevante stukken ontbreken.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurder voor een bedrag van € 34.315 en verklaart het hoger beroep ongegrond.