ECLI:NL:GHDHA:2018:3757
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schorsing uitvoerbaarverklaring alimentatie en zekerheidstelling
In deze civiele zaak betreffende kinder- en partneralimentatie verzocht de man het hof om schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een eerdere beschikking en om zekerheidstelling door de vrouw voor terugbetaling van betaalde alimentatie. De rechtbank had eerder de alimentatiebedragen vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De man voerde aan dat er sprake was van feitelijke en juridische misslagen in de beschikking, dat hij financieel niet in staat was de alimentatie te voldoen, en dat de vrouw geen overleg wilde plegen of zekerheid wilde stellen. De vrouw betoogde dat de beschikking een voorlopige aard had en dat zij het belang had om de alimentatie te ontvangen voor haar en de kinderen. Zij ontkende dat zij de alimentatie alleen voor sportkosten nodig had en stelde dat de man onvoldoende had onderbouwd dat hij in financiële nood zou komen.
Het hof oordeelde dat de kinderalimentatie voor de periode vanaf 24 augustus 2018 ten behoeve van de minderjarige die bij de man verblijft, geschorst kon worden. Voor de overige alimentatieverplichtingen was geen sprake van een juridische of feitelijke misslag die schorsing rechtvaardigde. De financiële nood van de man was onvoldoende onderbouwd. Ook het verzoek tot zekerheidstelling werd afgewezen omdat dit de vrouw zou dwingen de alimentatie niet te consumeren, wat in strijd is met het consumptieve karakter van alimentatie.
De proceskosten werden gecompenseerd en de hoofdzaak zal op een later tijdstip worden voortgezet.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing en zekerheidstelling afgewezen behalve schorsing kinderalimentatie vanaf 24 augustus 2018.