ECLI:NL:GHDHA:2018:3261
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende hardheidsclausule
De appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €241.717,06. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat de appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
In hoger beroep heeft de appellant betoogd dat hij te goeder trouw was en een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Het hof heeft dit onderzocht en geoordeeld dat de appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij te goeder trouw was. De schuld aan de Belastingdienst, bestaande uit diverse belastingen en terugvorderingen, is ontstaan door het niet nakomen van aangifte- en betalingsverplichtingen waarvoor de appellant zelf verantwoordelijk blijft.
Ook het beroep op de hardheidsclausule wordt verworpen omdat de appellant onvoldoende heeft aangetoond dat de problematiek die tot de schulden leidde inmiddels onder controle is. Hoewel positieve ontwikkelingen zoals vrijwilligerswerk en budgetbeheer zijn erkend, zijn recente schulden en het ontbreken van een stabiele situatie doorslaggevend. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsanering af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende toepassing van de hardheidsclausule.