ECLI:NL:GHDHA:2018:3260
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling op grond van hardheidsclausule ondanks niet te goeder trouw ontstane schulden
Appellante heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €108.764,10. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
In hoger beroep heeft appellante zich ook beroepen op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. Het hof heeft onderzocht of zij te goeder trouw was en concludeerde dat dit onvoldoende aannemelijk was, met name vanwege schulden aan de Belastingdienst, kinderopvangorganisaties en het UWV die niet te goeder trouw zijn ontstaan.
Desondanks heeft het hof geoordeeld dat appellante haar financiële en persoonlijke situatie inmiddels onder controle heeft gekregen. Zij heeft concrete maatregelen getroffen, zoals schuldhulpverlening, budgetbeheer en het aflossen van schulden. Dit persoonlijke herstel en haar motivatie om de regeling succesvol af te ronden, zijn doorslaggevend.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor uitvoering van de regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en staat toelating tot de schuldsaneringsregeling toe op grond van de hardheidsclausule.