Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 oktober 2018
[appellant] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
a) Veroordeelde heeft tijdens de tenuitvoerlegging van zijn straf meermalen een disciplinaire straf opgelegd gekregen (...)
. Rapporteur heeft betrokkene gevraagd of hij een concreet adres kon aantonen, die wij kunnen beoordelen (niet perse voor EC). Hij gaf aan dat hij de eerste paar weken of dagen bij zijn broer in Zeist gaat verblijven (….), van daaruit gaat hij op zoek naar een zelfstandige huurwoning. (….). Betrokkene heeft rapporteur geen toestemming gegeven om zijn broer te mogen bellen om het adres te verifiëren. (…).
“eenmaal[onderstreping hof]
in de gelegenheid zal stellen om medewerking te verlenen aan een zogeheten haalbaarheidsonderzoek elektronische controle, welk onderzoek dient te worden verricht op het voorgenomen verblijfsadres van de veroordeelde, zijnde het adres van zijn broer”. Daarbij heeft de voorzitter opgemerkt
“dat het uiteraard zo zal zijn dat de raadsvrouw op een volgende zitting de ruimte krijgt het standpunt van de veroordeelde te belichten, maar dat in geval van niet-meewerken aan het haalbaarheidsonderzoek de veroordeelde rekening moet houden met een voor hem onwelgevallige beslissing op de vordering van de officier van justitie”.
“Concluderend…….artikel 15d lid 1 sub b Sr. Bovendien……artikel 15d lid 1 sub d Sr.”) in de uitspraak van 29 januari 2015 zo zou moeten worden gelezen dat de b-grond geen zelfstandig dragende grond was voor de uiteindelijke beslissing, geldt dat deze grond ontegenzeggelijk wel heeft bijgedragen aan die beslissing; de strafrechter heeft de b-grond immers expliciet bij zijn besluitvorming betrokken. Voorts is van belang dat uit de uitspraak van 29 januari 2015 blijkt dat het niet-reageren op de terugbelverzoeken niet de enige reden is geweest om de d-grond aan te nemen. De zaak was aangehouden om een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren op het adres van de broer van [appellant] en vaststaat dat de broer van [appellant] heeft laten weten niet bereid te zijn hieraan mee te werken. Dit betekende dat de noodzakelijk geachte elektronische controle niet kon worden uitgevoerd. Bovendien heeft de strafrechter uitdrukkelijk meegewogen dat [appellant] zich niet bereid had verklaard noch getoond om de bijzondere voorwaarden van locatiegebod en contactverbod na te leven, voorwaarden die de strafrechter als niet onredelijk had gekwalificeerd. Tijdens het pleidooi hebben partijen nog gediscussieerd over de samenhang tussen een locatiegebod en elektronisch toezicht en heeft [appellant] betoogd dat de zin over het locatiegebod moet worden bezien in de verdere context, omdat ook staat vermeld dat [appellant] bereid was mee te werken aan elektronische controle. Wat daar ook van zij, het laat onverlet dat in elk geval is vastgesteld dat [appellant] niet mee wilde werken aan een contactverbod.
“Ik heb alle voorwaarden en regels samen met mijn broer geëvalueerd en besproken en ik en mijn broer geven dus geen toestemming”.
“nog éénmaal”in de gelegenheid te stellen mee te werken aan een haalbaarheidsonderzoek. Het hof acht het niet aannemelijk dat de strafrechter bereid was geweest om de zaak op 15 januari 2015 toch nog een keer aan te houden, ditmaal met het oog op een haalbaarheidsonderzoek bij de zus van [appellant] , dit alles nog daargelaten dat geen begin van bewijs is geleverd dat de zus wel wilde meewerken.