Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest in kort geding van 22 mei 2018
hierna te noemen: [De Weduwe] ,
gevestigd te [plaatsnaam] , Suriname,
hierna te noemen: de Stichting,
niet verschenen,
2. [Kind twee] ,
niet verschenen,
wonende te [woonplaats] ,
4. [Kind vier] ,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M. Veken te Rotterdam,
5. [Kind vijf] ,
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
6. [Kind zes] ,
wonende te [woonplaats] ,
niet verschenen,
7. [Kind zeven] ,
niet verschenen,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
fair trial(artikel 6 EVRM Pro) de opheffing van het beslag te vragen bij de buitenlandse rechter die het beslagverlof heeft verleend, (ii) sprake is van een zodanig evidente fout of vergissing in het beslagverlof van de buitenlandse rechter dat de belangen van de beslagene onaanvaardbaar zouden worden geschaad bij de instandhouding van het conservatoir beslag, dan wel (iii) het belang bij instandhouding van het conservatoir beslag klaarblijkelijk is komen te vervallen bijvoorbeeld omdat de beslagene inmiddels voldoende zekerheid heeft gesteld. Buiten deze gevallen acht het hof het niet opportuun dat de Nederlandse kortgedingrechter door middel van een ordemaatregel beslist over de opheffing van een conservatoir beslag in het buitenland.
de factoleiden tot opheffing van het conservatoir beslag in Suriname.
grieven 1, 3, 4 en 5hebben in de kern genomen betrekking op de beslissing van de voorzieningenrechter in eerste aanleg dat niet althans onvoldoende is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van geïntimeerden die ten grondslag ligt aan het beslagverlof. De grieven zien kort gezegd op de uitleg die de voorzieningenrechter in eerste aanleg heeft gegeven aan de stelling van [De Weduwe] en de Stichting over de peildatum met betrekking tot de waarde van de percelen grond (grief 1), het al dan niet ondeugdelijk karakter van de vordering waartoe het conservatoir beslag is gelegd en de taxatie van de percelen grond (grief 3), de bewijslast ten aanzien van de ondeugdelijkheid van de vordering van geïntimeerden (grief 4), en de verjaring van de vordering van geïntimeerden (grief 5).
grief 2komen appellanten op tegen rov. 4.5 van het bestreden vonnis, waarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat hij niet zal treden in de stelling van [De Weduwe] en de Stichting dat de Surinaamse rechter niet bevoegd was het beslagverlof te verlenen omdat het exclusief aan de Surinaamse rechter is om daarover te oordelen. De grief houdt in dat alleen de Nederlandse rechter bevoegd is verlof te verlenen voor het leggen van conservatoir beslag tot zekerheid van verhaal van een vordering die is gebaseerd op de in Nederland gesloten koopovereenkomst tussen [De Weduwe] en de Stichting.
grief 6. Voor zover met appellanten zou worden aangenomen dat de inkomsten van [De Weduwe] bestaan uit een gedeeltelijke AOW-uitkering en een aanvullende bijstandsuitkering, verandert dat niets aan het oordeel van het hof. De door appellanten gestelde financiële positie van [De Weduwe] vormt geen grond voor opheffing van het conservatoir beslag in Suriname door de Nederlandse kortgedingrechter.