ECLI:NL:GHDHA:2018:3
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling nietigheid en conversie van relatiebeding in uitzendovereenkomst
Het Gerechtshof Den Haag behandelde een hoger beroep van Inforcontracting tegen meerdere werknemers over de geldigheid van een relatiebeding in uitzendovereenkomsten. Het betrof werknemers die na het einde van hun uitzendovereenkomst in dienst traden bij een concurrerend uitzendbureau. Het hof onderzocht of het relatiebeding, dat contacten met klanten gedurende een jaar verbood, ondanks de nietigheid op grond van artikel 9a Waadi, toch gehandhaafd kon blijven door conversie.
Het hof overwoog dat artikel 9a Waadi en de Europese richtlijn 2008/104/EG beogen uitzendkrachten te beschermen tegen belemmeringen om na afloop van hun uitzendovereenkomst bij de inlener te werken. Een te ruim geformuleerd relatiebeding frustreert dit doel. Gezien de strekking van het nietigheidsvoorschrift en het vereiste van doeltreffende sancties, is conversie van het nietige beding niet mogelijk.
Inforcontracting stelde dat partiële nietigheid passend was, zodat het beding buiten toepassing zou kunnen worden gelaten voor het nietige deel, maar gehandhaafd voor het overige. Het hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat het gehele beding het lot moet volgen van het deel dat onder artikel 9a Waadi valt.
Het hof bevestigde dat het relatiebeding niet alleen nietig is voor werknemers die bij de klant in dienst traden, maar ook voor werknemers die bij een concurrerend uitzendbureau gingen werken. Het bestreden vonnis werd bekrachtigd en Inforcontracting werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat het relatiebeding nietig is en niet kan worden geconverteerd.