1.8.Gudri heeft mevrouw [naam] , kantoorhoudende bij [adres] , Londen, Verenigd Koninkrijk (hierna: [de arbiter] ) benoemd als arbiter.
2. Gudri heeft in de eerste aanleg op de voet van art. 1027 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in verbinding met art. 1028 lid 1 Rv verzocht om benoeming van drie arbiters in het geschil tussen haar en BDM c.s. en Concordia, waaronder [de arbiter] , met veroordeling van BDM c.s. en Concordia in de proceskosten.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek van Gudri afgewezen en Gudri in de proceskosten veroordeeld. Daartoe heeft hij als volgt overwogen. De voorzieningenrechter acht het evident dat de SC329 Arbitration Clause (Marine Risks) betrekking heeft op een situatie waarin beoordeeld moet worden of ten aanzien van een schadevoorval ‘
a peril insured-policy’ of een ‘
war risk policy’ dekking geeft. Nu in het onderhavige geval evenwel slechts sprake is van één verzekeringspolis komt de vraag welke polis dekking geeft niet aan de orde. Mitsdien is de clausule niet van toepassing, waaruit volgt dat de clausule geen basis is voor een arbitrageovereenkomst. Nu van het bestaan van een dergelijke overeenkomst anderszins niet is gebleken, dient het verzoek reeds om die reden te worden afgewezen.
4. In hoger beroep voert Gudri drie grieven aan tegen de beschikking van de voorzieningenrechter en verzoekt zij het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek alsnog toe te wijzen, met veroordeling van BDM c.s. in de proceskosten. BDM c.s. en Concordia stellen zich op het standpunt dat Gudri in haar beroep niet kan worden ontvangen en dat haar verzoek ook in hoger beroep dient te worden afgewezen met veroordeling van Gudri in de proceskosten.
5. Met
grief 1stelt Gudri zich op het standpunt dat de voorzieningenrechter de feiten onjuist en onvolledig heeft weergegeven.
6. Voor zover de grief inhoudt dat de voorzieningenrechter bepaalde feiten is vergeten te vermelden, faalt zij. Het stond de voorzieningenrechter immers vrij zich te beperken tot de tussen partijen vaststaande feiten die hij voor de te nemen beslissing van belang achtte. Daartoe behoren niet de in het beroepschrift onder 20 en 22 gestelde feiten. De in het beroepschrift onder 21 bedoelde omstandigheid dat BDM c.s. niet binnen drie maanden een arbiter hebben benoemd, is in de bestreden beschikking wél vermeld (onder 2.8).
7. Met de klacht dat in de bestreden beschikking onder 2.2, eerste zin, al een voorschot lijkt te zijn genomen op de vraag tussen wie de verzekeringsovereenkomst is gesloten, heeft het hof hiervoor onder 1.2 rekening gehouden. Deze klacht – wat daar verder van zij – kan niet tot vernietiging en toewijzing van het gevorderde leiden.
8.
Grief 2richt zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter, in r.o. 4.5 van de bestreden beschikking, dat aanstonds en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een (geldige) arbitrageovereenkomst ontbreekt en tegen de motivering van dat oordeel in r.o. 4.6 van de bestreden beschikking.
9. Gudri betoogt ter toelichting op deze grief, in de eerste plaats, het volgende. De Hoge Raad heeft beslist dat art. 1027 lid 4 Rv, eerste volzin, aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om benoeming van arbiters kan worden afgewezen indien aanstonds en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8777, NJ 2013/23). In de jurisprudentie gaat het evenwel telkens slechts om gevallen waarin een arbitrageclausule krachteloos is geworden dan wel eenvoudig kan worden vastgesteld dat er geen sprake is van verbondenheid aan een arbitrageclausule. In deze zaak gaat het om iets heel anders, te weten over de interpretatie van een overeengekomen arbitrageclausule. Voor een dergelijk geschil geldt de door de Hoge Raad gemaakte uitzondering op de verplichting tot benoeming van arbiters niet, omdat daarvoor nader onderzoek nodig is, dat is voorbehouden aan arbiters. 10. Het hof volgt Gudri hierin niet. Aan het verzoek om benoeming van arbiters is door Gudri ten grondslag gelegd dat partijen ten aanzien van al hun geschillen en in ieder geval de vraag of haar vordering onder de polis gedekt is arbitrage zijn overeengekomen. De juistheid van die stelling heeft zij echter onvoldoende onderbouwd. De verwijzing naar de hiervoor aangehaalde arbitrageclausule is in dit verband niet toereikend, aangezien die clausule naar haar bewoordingen betrekking heeft op de hier niet aan de orde zijde vraag onder welke van de twee daarin bedoelde polissen de schade moet worden geschaard. In geschil is hier niet of de ene of de andere polis dekking biedt. Naar vaststaat is er immers slechts één polis en is de partijen verdeeld houdende vraag of die dekking biedt voor de onderhavige schade. Dat partijen zijn overeengekomen om die vraag aan arbitrage te onderwerpen volgt niet uit de verwijzing naar de arbitrageclausule en is ook overigens niet gebleken. Voor een uitleg van bedoelde clausule in de door Gudri voorgestane zin - waarover hieronder nader - biedt haar betoog onvoldoende aanknopingspunten. Als overweging ten overvloede verdient nog vermelding dat het betoog van Gudri ook in die zin onvoldoende gemotiveerd is dat zij weliswaar aangevoerd heeft dat de
Dutch Jurisdiction Clauseuitsluitend een aanvullende rol toekomt ten aanzien van de arbitrageclausule, maar dat zij het herhaalde beroep van verweerders in beroep op de hiervoor in 1.2 geciteerde vermelding aan het begin van de
cover note“…
with Dutch jurisdiction”(in directe aansluiting op de toepasselijkverklaring van Engels recht) consequent onweersproken heeft gelaten. De conclusie moet dan ook zijn dat Gudri niet heeft voldaan aan haar stelplicht wat betreft het bestaan van een arbitrageovereenkomst met betrekking tot het onderhavige geschil. Anders dan zij meent kan een verzoek om benoeming van arbiters ook worden afgewezen als aanstonds en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat een in de polis opgenomen arbitrageclausule niet van toepassing is op het geschil waarvoor verzoeker arbitrage verlangt. Benoeming van arbiters zou in een dergelijk geval bovendien zinloos zijn, omdat aangenomen moet worden dat arbiters zich in een dergelijk geval toch onbevoegd zouden verklaren dan wel, als dat al anders zou zijn, het arbitrale vonnis voor vernietiging op de voet van art. 1065, lid 1 onder a, Rv in aanmerking zou komen. Onder die omstandigheid heeft Gudri geen belang bij toewijzing.
11. Gudri betoogt, in de tweede plaats, dat de voorzieningenrechter het beginsel heeft geschonden dat het aan de arbiters zelf is om over hun bevoegdheid is te oordelen (art. 1052 Rv).
12. Ook hierin volgt het hof Gudri niet, omdat zich in het door de voorzieningenrechter aanwezig geachte geval dat evident is – en derhalve aanstonds en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld – dat de arbitrageclausule slechts betrekking heeft op geschillen over de vraag welke van twee verzekeringsovereenkomsten dekking geeft, benoeming van arbiters voor een ander geschil kan worden geweigerd. In dat geval is het derhalve niet aan de arbiters zelf voorbehouden om over hun bevoegdheid te oordelen.
13. In de derde plaats betoogt Gudri dat de voorzieningenrechter de arbitrageclausule onjuist heeft uitgelegd. Die uitleg dient, aldus Gudri, te geschieden naar Nederlands recht, met inachtneming van de Haviltex-maatstaf. Voor zover er al sprake blijkt te zijn van een ‘defective arbitration clause’, is het aan arbiters om te bezien of het ‘defect’ kan worden ‘geheeld’. De in de
cover notevermelde “Dutch jurisdiction clause” heeft slechts aanvullende werking, in die zin dat op de arbitrage Nederlandse procedurele regels van toepassing zijn, zoals die van het vierde Boek van Rv. Onder verwijzing naar een opinie van haar Engelse advocaten betoogt Gudri ten slotte dat ook bij uitleg naar Engels recht sprake is van een geldige arbitrageovereenkomst voor dit geschil.
14. Het hof oordeelt hierover als volgt. Nu Gudri zich op het standpunt stelt dat de uitleg van de arbitrageclausule dient te geschieden naar Nederlands recht, zal het hof Gudri hierin – veronderstellenderwijs – volgen. Daarbij neemt het hof overigens in aanmerking dat tussen partijen weliswaar geen overeenstemming bestaat over de vraag welk recht moet worden toegepast op de uitleg van de arbitrageclausule, maar door geen der partijen is betoogd en evenmin is gebleken dat het voor de uitleg in dit concrete geval verschil maakt of Nederlands dan wel Engels recht wordt toegepast. Dat is ook niet verwonderlijk, nu geen beroep is gedaan op enige verklaring of gedraging door een der partijen jegens de andere partij in het kader van de totstandkoming van de overeenkomst of op enig daarop eventueel te baseren vertrouwen waarmee rekening gehouden zou kunnen worden bij een uitleg overeenkomstig de naar Nederlands recht toe te passen Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635). Dat brengt mee dat, waar het bij de uitleg aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, hier groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen van de arbitrageclausule, gelezen in het licht van de overige bepalingen van de verzekeringsovereenkomst. Daarbij kunnen de overige omstandigheden van het geval steeds meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht (vgl. HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, Lundiform/Mexx). Dat er van zodanige omstandigheden in deze zaak sprake is, is evenwel gesteld noch gebleken. 15. Net als de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat evident is dat de arbitrageclausule slechts betrekking heeft op geschillen over de vraag of een schade is gedekt onder de verzekeringsovereenkomst waarvan de arbitrageclausule deel uitmaakt dan wel onder een andere verzekering (de ‘war risk policy’). Daarop wijst niet alleen de eerste zin van de arbitrageclausule, waar het aan arbiters voor te leggen geschil is omschreven als de vraag “
whether there be a loss caused by a peril insured against on this policy or on the war risk policy”. Daarop wijst ook de tweede zin, die voor de beslechting van dit (samenloop)geschil voorziet in “
one arbitration” tussen de drie betrokken partijen. Daarbij sluit de derde zin van de clausule aan met een bepaling over de benoeming van één arbiter voor elk van de partijen. Aldus opgevat, komt derhalve aan geen der partijen een bevoorrechte positie toe. Tussen partijen staat vast dat een geschil als hier omschreven zich bij de onderhavige verzekeringsovereenkomst niet voordoet en niet kan voordoen, omdat (1) de door Gudri geleden schade geen ‘war risk’ betreft, (2) de verzekeringsovereenkomst ook dekking biedt voor ‘war risks’ en (3) er ook geen afzonderlijke ‘war risk policy’ is afgesloten. De door Gudri voorgestane lezing dat arbitrageclausule ook betrekking heeft op (louter) de vraag of haar schade is veroorzaakt door een gevaar waartegen de verzekeringsovereenkomst dekking biedt, is naar het oordeel van het hof uiterst gekunsteld, omdat daarmee de woorden “or on the war risk policy” en in het verlengde daarvan ook de betekenis van de tweede zin wordt genegeerd. Een consequentie van de lezing van Gudri is verder dat, zoals Gudri ook verdedigt, verzekeraars twee arbiters zouden mogen benoemen en Gudri slechts één, zodat de benoemingsprocedure voor verzekeraars een bevoorrechte positie inhoudt. Dat partijen een dergelijke onevenwichtigheid zouden hebben gewild bij de beslechting van het aan de orde zijnde dekkingsgeschil, kan redelijkerwijs niet worden aangenomen.
16. Daar komt nog bij dat de in de verzekeringsovereenkomst opgenomen Dutch jurisdiction clause in tegenstelling tot de arbitrageclausule juist een ruime formulering kent: “
any dispute arising out of this insurance shall be exclusively subject to Dutch jurisdiction”.Deze ruime formulering maakt het nog minder aannemelijk dat alle geschillen onderworpen zijn aan arbitrage, omdat de rol van de gewone rechter (
Dutch jurisdiction) dan beperkt zou zijn tot een aanvullende rol in het kader van de arbitrage, zoals bij verzoeken tot benoeming van arbiters, het treffen van voorlopige bewijsmaatregelen of voorlopige voorzieningen en vorderingen tot vernietiging van het arbitrale vonnis. Partijen zijn het erover eens dat de vraag naar de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval niet voor problemen stelt.
17. Uitgaande van de door Gudri voorgestane uitleg naar Nederlands recht, is het hof derhalve van oordeel dat aanstonds en zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor het geschil waarvoor Gudri benoeming van arbiters verzoekt een overeenkomst van arbitrage ontbreekt. Dit ontbreken van een grondslag voor arbitrage leent zich, ook als men zou willen spreken van een ‘gebrek’, niet voor ‘heling’ door arbiters.
Grief 2faalt derhalve.
18. Ten overvloede merkt het hof nog op dat ook bij een uitleg naar Engels recht, uitgaande van hetgeen over dat recht in de door partijen overgelegde opinies van Engelse advocaten is vermeld, het oordeel van het hof niet anders zou uitvallen. Ook om die reden hoeft niet nader te worden ingegaan op de vraag of de uitleg dient te geschieden naar Nederlands recht dan wel naar Engels recht.
19.
Grief 3houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte het verzoek van Gudri op grond van art. 1028 lid 1 Rv niet heeft beoordeeld.
20. Nu het verzoek om benoeming van arbiters op grond van art. 1027 lid 4 Rv niet voor toewijzing in aanmerking komt, geldt hetzelfde voor het daarop voortbouwende verzoek om bij de benoeming voorbij te gaan aan de bevoorrechte positie die BDM c.s. volgens Gudri in de arbitrageclausule is toegekend.
Grief 3faalt derhalve.
21. Nu de grieven niet slagen, zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. Gudri zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten van BDM c.s. en Concordia.