ECLI:NL:GHDHA:2018:1971
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag loonheffing wegens niet prijsgegeven pensioenna-indexatie
Belanghebbende, rechtsopvolger van een vennootschap die pensioenverplichtingen had jegens haar directeur [A], werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag loonheffing over 2011. De Inspecteur stelde dat door het stopzetten van pensioenuitkeringen en onderhandelingen over overdracht van pensioenaanspraken in 2011 sprake was van prijsgeven van aanspraken, inclusief een aanspraak op na-indexatie.
De rechtbank had de naheffingsaanslag gehandhaafd, maar het Gerechtshof oordeelde anders. Uit de pensioenbrief bleek dat het recht op na-indexatie slechts een voorwaardelijk recht was, een inspanningsverbintenis zonder afdwingbaarheid. De onderhandelingen in 2011 hadden nog niet geleid tot prijsgeving van dit recht; pas bij de overdracht in 2012 werd duidelijk dat de aanspraak op na-indexatie was vervallen.
Het hof stelde vast dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat in 2011 sprake was van prijsgeven of niet voor verwezenlijking vatbaar zijn van de na-indexatie. Ook het beroep op het EVRM artikel 1 inzake Pro eigendomsbescherming faalde omdat de heffing wettelijk was gebaseerd en proportioneel was. Het hof vernietigde de naheffingsaanslag, de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde de Inspecteur in proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonheffing over 2011 wordt vernietigd omdat de aanspraak op na-indexatie pas bij overdracht in 2012 is vervallen.