Uitspraak
[naam zoon],
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele procedure staat de aansprakelijkheid van de minderjarige rekeninghouder voor fraude met zijn bankpas centraal. ING Bank vordert betaling van € 2.409,- wegens frauduleuze transacties die plaatsvonden nadat de bankpas onrechtmatig werd gebruikt. De rekeninghouder, vertegenwoordigd door zijn moeder, betwist aansprakelijkheid en stelt dat de melding van verlies tijdig is gedaan.
De feiten tonen aan dat de bankpas op 1 oktober 2015 onrechtmatig werd gebruikt, terwijl de aangifte pas op 20 oktober 2015 werd gedaan. ING stelt dat de rekeninghouder daarmee tekort is geschoten in zijn verplichtingen op grond van de Voorwaarden Betaalrekening, die een directe melding vereisen bij verlies of diefstal. De kantonrechter oordeelde reeds dat de melding te laat was en veroordeelde de moeder als wettelijk vertegenwoordiger tot betaling.
In hoger beroep handhaaft het hof dit oordeel. Het hof acht het onwaarschijnlijk dat de rekeninghouder of zijn moeder het verlies niet eerder hadden kunnen ontdekken, waardoor sprake is van grove nalatigheid. Dit leidt tot volledige aansprakelijkheid voor de schade. De grieven van de moeder worden verworpen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd. Tevens wordt de moeder veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt de wettelijk vertegenwoordiger tot betaling van € 2.409,- wegens grove nalatigheid bij frauduleus gebruik van de bankpas.