Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het geding
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
compensatie tussen alimentatie en overbedeling”. Het nieuwe standpunt van de vrouw in hoger beroep is naar het oordeel van het hof niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd. Met name heeft de vrouw niet uitgelegd hoe dit standpunt zich verhoudt tot de tekst en redactie van het convenant, die in een andere richting wijzen. In artikel 5 daarvan Pro is namelijk - onder de kop partneralimentatie - de afstand van de overwaarde geregeld en - afzonderlijk daarvan - is in artikel 10 opgenomen Pro dat partijen over en weer pensioenverevening uitsluiten. Het hof zal daarom dit nieuwe standpunt, dat de man gemotiveerd betwist, niet volgen. Grief 1 slaagt dan ook niet. Dit betekent dat ook het hof ervan uitgaat dat partijen hebben afgesproken om - kort gezegd - de overwaarde tegen (alleen) de partneralimentatie uit te ruilen.
met gesloten beurs” in artikel 5 van Pro het convenant (zie hiervoor onder 2.4.). Volgens de vrouw was het convenant gericht op compensatie tussen partneralimentatie en overbedeling met gesloten beurzen en laat dit geen ruimte voor de man om de partneralimentatie als aftrekpost op te voeren. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste gronden heeft geoordeeld dat het convenant niet die strekking heeft. De rechtbank heeft op grond van uitleg van het convenant aan de hand van de Haviltex-norm geoordeeld dat uit genoemde zinsnede niet meer of anders voortvloeit dan dat tussen partijen geen verdere vermogensverschuiving (het hof begrijpt: dan de kruislingse overdracht van de woningen, zoals bepaald in de volzin waarin de zinsnede “
met gesloten beurs” is vervat) zou plaatsvinden en dat partijen met deze zinsnede niet hebben beoogd de financiële gevolgen ten opzichte van de belastingdienst (zie hiervoor onder 4.4.) uit te sluiten. Het hof neemt deze gronden over en maakt deze tot de zijne. In het bijzonder is van belang dat de vrouw niet heeft gespecificeerd en onderbouwd uit welke concrete verklaringen of gedragingen van partijen de door haar voorgestane uitleg van het convenant - kort gezegd inhoudende dat partijen hebben beoogd de fiscale gevolgen van afkoop uit te sluiten - zou kunnen volgen. Daarentegen stelt zij juist dat partijen zich ten tijde van het sluiten van het convenant niet bewust waren van die fiscale gevolgen (nr. 17 memorie van grieven en p. 2 proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg). De man beaamt dit (nr. 26 memorie van antwoord en p. 4 proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg).