Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant] ,
1.Aegon Schadeverzekering N.V.,
2. Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
3. ASR Verzekeringen N.V.,
4. Achmea Schadeverzekeringen N.V.,
5. Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.,
6. London Verzekeringen N.V.,
7. Reaal Schadeverzekeringen N.V.,
Grief 2– die zich keert tegen de overweging in r.o. 4.5 van het bestreden vonnis dat [appellant] c.s. niet heeft betwist dat van brandstichting sprake is – en
grief 7– die zich keert tegen het oordeel van de rechtbank, kort gezegd, dat er sprake is geweest van vijf verschillende brandhaarden en dat dit wijst op brandstichting – behoeven in verband daarmee geen nadere bespreking.
grief 8aan dat er specifieke aanwijzingen zijn voor een overval (MvG, nr. 166 e.v.):
- verschillende kasten en laden waren geopend, wat erop wijst dat deze doorzocht zijn;
- er is geld meegenomen uit het geldkistje;
- twee getuigen hebben verklaard dat een auto met hoge snelheid wegreed vanuit de richting van de brandende boerderij met daarin 4 of 5 mensen, mogelijk de overvallers;
- C. [appellant] (broer en buurman van [appellant] ) heeft een onbekende auto zien staan op de Kerkweg;
- gezien is dat een onbekend gebleven fietser hard voorbijreed vanuit de richting van de brand zonder zich iets aan te trekken van de brand;
- [appellant] heeft zelf een auto op de oprit van de overbuurvrouw zien wegrijden toen deze buurvrouw thuiskwam.
grieven 5, 6 en 10wijst [appellant] c.s. voorts op de volgende omstandigheden:
- de aard van de verwondingen van [appellante] ; het letsel toont onder meer aan dat zij een klap in haar nek en/of op haar hoofd heeft gehad en voorts had zij vingerafdrukken op haar linker bovenarm staan (MvG, nr. 132-133);
- de plotselinge (kortstondige) herinnering van [appellante] een week na het voorval dat zij in het kantoortje is geweest (MvG, nr. 141);
- de omstandigheid dat [appellante] de voordeur, die normaliter met een nachtslot en twee hulpgrendels was afgesloten, heeft geopend (MvG, nr. 206-207).
grief 1heeft bepleit, de rapportage van I-Tek buiten beschouwing dient te worden gelaten. Dit is volgens [appellant] c.s. het geval, omdat de onderzoeken door I-Tek niet onafhankelijk zijn uitgevoerd en geheel gericht waren op het vaststellen van brandstichting waardoor geen rekening is gehouden met andere mogelijkheden.
Grief 1faalt derhalve.
grief 7stelt, I-Tek uitgaat van andere locaties voor de brandhaarden dan FTO en evenmin dat het destructieve karakter van de brand eraan in de weg staat voornoemde conclusie met betrekking tot de oorzaak van de brand te trekken. Aan de verder niet gemotiveerde opmerking (MvG, p. 49) dat de kaarsen op grond van het brandbeeld en brandverloopindicatoren volledig kunnen worden uitgesloten, gaat het hof voorbij. Of de geboortekaarsen die volgens [appellant] c.s. in de slaapkamer stonden, te groot waren om onder het bed te plaatsen (MvG, p. 50), kan in het midden blijven, nu door verzekeraars niet is gesteld dat de brand met de door [appellant] c.s. bedoelde kaarsen is gesticht. Wel is door verzekeraars gemotiveerd betwist (MvA, nr. 61) dat de onder het bed aangetroffen kaarsen daar kunnen zijn terechtgekomen als gevolg van de luchtstroom als gevolg van de door de hitte van de brand gesprongen slaapkamerruit, aangezien brand tot overdruk leidt en het springen van de ruit derhalve tot een luchtstroom naar buiten moet hebben geleid. Voorts hebben verzekeraars er gemotiveerd op gewezen (MvA, nr. 62) dat het onwaarschijnlijk is dat de kaarsen als gevolg van de bluswerkzaamheden op de vloer zijn terechtgekomen, gelet op de intacte vloerbedekking onder een van de kaarsen en de versmelting met de vloerbedekking van een andere kaars. Ook hierop is door [appellant] c.s. niet meer ingegaan, zodat het hof aan deze ‘verklaringen’ voor de aanwezigheid van kaarsresten op de grond als onvoldoende gemotiveerd voorbijgaat.
Anamnese:
“Battle sign-, malocclusie-”
- laat [appellant] c.s. toe tot het tegenbewijs tegen hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 31 voorshands bewezen is geoordeeld;
- bepaalt dat, indien [appellant] getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. F.R. Salomons op donderdag 18 oktober 2018, om 9:30 uur;
- bepaalt dat, indien één der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden november en december van 2018 en januari van 2019, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;
- bepaalt dat de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier worden opgegeven;
- verstaat dat het hof reeds beschikt over een kopie van de volledige procesdossiers in eerste aanleg en in hoger beroep, inclusief producties, zodat overlegging daarvan voor het getuigenverhoor niet nodig is;
- houdt iedere verdere beslissing aan.