Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Reaal Schadeverzekeringen N.V.,
1.Opname van de situatie ter plaatse.
Het installeren van het ING servicepunt en het aansluiten van de voedende kabel in de schakel en verdeelkast.
3.Het in bedrijf stellen van het ING service punt.
- een verklaring voor recht dat er dekking is onder de polis en dat Reaal c.s. gehouden zijn de verschillende schades ten gevolge van de brand op 29 maart 2014 onder de polis naar rato van hun aandeel op de polis aan [geintimeerde] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2014 tot aan de dag van algehele voldoening;
- de veroordeling van Reaal c.s. te betalen naar rato van hun aandeel op de polis het schadebedrag van € 986.152,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de veroordeling van Reaal c.s. tot betaling naar rato van hun aandeel op de polis de buitengerechtelijke kosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- de veroordeling van Reaal c.s. tot betaling naar rato van hun aandeel op de polis de kosten van het onderzoek en de schadevaststelling, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- de veroordeling van Reaal c.s. in de kosten van de procedure en de nakosten.
Grief 1houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geintimeerde] feitelijk heeft voldaan aan de verplichting tot periodieke controle als bedoeld in clausule 5004. Volgens Reaal c.s. heeft [geintimeerde] deze garantieverplichting geschonden en heeft dit tot gevolg dat de dekking onder de polis is komen te vervallen en dat verzekeraars niet gehouden zijn de schade van [geintimeerde] te vergoeden. Reaal c.s. zijn van mening dat de inspectie die [X] heeft gedaan bij de installatie van het ING Servicepunt noch voldoet aan NEN 1010, noch aan NEN 3140, waarnaar clausule 5004 verwijst.
Chubb/Dagenstaed). Tegen de achtergrond hiervan, oordeelt het hof als volgt.
“De resultaten van een inspectie moeten worden vastgelegd en passende maatregelen moeten worden getroffen”. Uit die bewoordingen, waaraan gelet op hetgeen hiervoor in rov. 6 is overwogen, grote betekenis moet worden toegekend, volgt niet zonder meer dat er een rapport van inspectie moet worden opgemaakt. In dit verband is tevens van belang dat het begrip “vastleggen” (onbetwist) een vertaling is van de oorspronkelijke Engelstalige norm, waarin het begrip “commitment” wordt gebruikt. [geintimeerde] heeft er op gewezen dat dit niet wijst op een verplichting om na de inspectie een schriftelijk rapport op te maken, maar dat het begrip “commitment” in dit geval (beter) kan worden vertaald met ‘het moet vast staan dat’. Wat hier ook van zij, Reaal c.s. hebben niet gesteld dat de Engelstalige norm bepaalt dat de resultaten van een inspectie
schriftelijkmoeten worden vastgelegd. Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat wanneer verzekeraars verplicht hadden willen stellen dat er bij controle van de elektrische installatie een rapport van inspectie werd opgemaakt (en/of een schriftelijke vastlegging van de gebruikte meetmethoden en meetinstrumenten), het op hun weg had gelegen dit op voldoende duidelijke wijze in de polisvoorwaarden (of anderszins, bijvoorbeeld in een toelichting) tot uitdrukking te brengen, zodat een verzekeringnemer als [geintimeerde] daarop bedacht had kunnen zijn. Bij gebreke hiervan faalt het bedoelde beroep van Reaal c.s. op clausule 5004.
Grief 2luidt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat Reaal c.s. gehouden zijn de wettelijke rente te voldoen vanaf 9 april 2014. De wettelijke rente dient volgens Reaal c.s. te worden toegewezen vanaf de datum van de comparitie van partijen in eerste aanleg (21 augustus 2015). Vanaf dat moment waren verzekeraars pas in verzuim, omdat [geintimeerde] zich pas op dat moment op het standpunt is gaan stellen dat hij wel heeft voldaan aan de uit clausule 5004 voortvloeiende verplichting tot periodieke controle, aldus Reaal c.s.
Grief 3keert zich tegen de toewijzing door de rechtbank van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Deze grief faalt. In hoger beroep is (opnieuw) vast komen te staan dat verzekeraars in verzuim zijn gekomen terzake van hun contractuele verplichting tot uitkering van de schadepenningen. [geintimeerde] heeft (onbetwist) redelijke kosten gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte, en heeft dan ook ingevolge art. 6:96 lid 2 BW Pro aanspraak op vergoeding van deze kosten.
in zoverre opnieuw rechtdoende: