Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 april 2018
[naam 1] ,
Het geding
De feiten
De vordering en de beslissing in eerste aanleg
De vordering en de grieven in hoger beroep
grief 1voert [appellant] aan dat [geïntimeerde] niet wettelijke handelsrente èn de contractuele boete kan vorderen. Dit is in strijd met artikel 6:92 lid 2 BW Pro en is bovendien naar maatstaven van redelijkheid en onaanvaardbaar in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Met
grief 2komt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellant] niet om matiging van de boete heeft gevraagd. Voor zover nodig doet [appellant] daar nu alsnog een beroep op.
Grief 3komt erop neer dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat hij na oktober 2015 geen boete verschuldigd is omdat de huurovereenkomst per 1 november 2015 is geëindigd. Door beëindiging van de huurovereenkomst is ook de boetebepaling van artikel 18.2 van de algemene bepalingen geëindigd. Ook de aard van het boetebeding brengt dit met zich: de functie van het boetebeding is de prikkel tot nakoming en deze prikkel bestaat feitelijk niet meer wanneer de huurovereenkomst is geëindigd. Met
grief 4betoogt [appellant] dat de kantonrechter het boetebeding volledig buiten toepassing had moeten laten omdat het tot onaanvaardbare gevolgen leidt dan wel de boete had moeten matigen (tot nihil). Een ongelimiteerd doorlopende boete van € 300 per maand voor elke maand dat de huur te laat betaald wordt, leidt tot een buitensporig resultaat. Daarnaast is van belang dat [geïntimeerde] steeds heeft geweigerd om de door [appellant] betaalde waarborgsom te verrekenen. Als [appellant] wel had mogen verrekenen met de waarborgsom, dan was de zaak in een vroegtijdig stadium geregeld en van het oplopen van de boete kan [geïntimeerde] dan ook een ernstig verwijt worden gemaakt. Met
grief 5komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij € 1.000 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. [geïntimeerde] heeft geen enkele relevante incasso-activiteit ondernomen. De enkele brief die (namens) [geïntimeerde] aan [appellant] is gezonden, was louter ter instructie van de zaak.
De beoordeling van het hoger beroep
grief 1.
Grief 3faalt dan ook.
- Het boetebeding is opgenomen in de algemene voorwaarden die zijn opgesteld door derden (en niet door partijen) en is bedoeld om gebruikt te worden bij tal van overeenkomsten, met variërende huurprijzen.
- Het boetebeding houdt in dat de huurder een boete van 2% per maand (dus 24% per jaar) verschuldigd is over uit hoofde van de overeenkomst verschuldigde bedragen, met een minimum van € 300,- voor iedere maand dat het verschuldigde onbetaald blijft. Het feit dat in de algemene voorwaarden is gekozen voor een vast boetebedrag als minimum betekent dat bij relatief lage huurprijzen de boete sterk doorwerkt. Bij een relatief geringe huur van € 2.238,50 per maand (zoals in dit geval), waarbij voor een huurtermijn die niet is betaald € 300,- aan boete per maand wordt berekend, betekent het dat bijna 13,4% per maand aan boete over de achterstallige huur in rekening wordt gebracht, wat neerkomt op ruim 160% per jaar.
- Het boetebeding voorziet niet in een vermindering van het boetebedrag na een beperkte periode, maar de boete loopt onbeperkt door. Bij een boete van € 300,- voor iedere maand dat één huurtermijn niet is betaald, zou na een jaar niet € 2.238,50, maar € 5.838,50 verschuldigd zijn en na twee jaar zou het bedrag zijn opgelopen naar € 9.438,50.
- De boete is niet alleen een aansporing tot nakoming van de huurbetalingen, maar strekt ook tot vergoeding van de schade. Op grond van de wet bestaat de schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom uit de wettelijke handelsrente, die vanaf juli 2015 ongeveer 8% per jaar heeft bedragen.
- [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat hij ten gevolge van het uitblijven van de huurbetalingen schade heeft geleden die hoger is dan de wettelijke handelsrente.
grieven 2 en 4.
grief 4, faalt.
Grief 5slaagt dan ook.
Beslissing
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] bepaald op € 313 aan verschotten en op € 6.524 aan salaris voor de advocaat;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.