Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de advocaat van de vader;
- de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [naam] en [naam] .
Gerechtshof Den Haag
De vader is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige dochter, die sinds april 2016 onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling en verblijft bij pleegouders. Hij betwist de procedurele afhandeling volgens artikel 6.1 Pcj en stelt dat zijn rechten op een eerlijk proces en gezinsleven zijn geschonden. Tevens voert hij inhoudelijke bezwaren aan, waaronder het niet adequaat betrekken van hem bij de hulpverlening en onjuiste motivering van de verlenging.
Het hof oordeelt dat de procedure volgens artikel 6.1 Pcj onjuist is indien uit het verzoek blijkt dat ouders niet instemmen met verlenging, maar dat in deze zaak alsnog een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waarbij de vader zijn standpunten kon toelichten. De late verzending van de beschikking is wel onzorgvuldig, maar heeft geen nadelige gevolgen voor de beroepstermijn.
Inhoudelijk concludeert het hof dat de wettelijke vereisten voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zijn vervuld. De minderjarige kampt met ernstige ontwikkelingsproblematiek en de noodzakelijke hulpverlening is nog niet gestart, wat de uithuisplaatsing noodzakelijk maakt. De gecertificeerde instelling dient zich in te spannen om hulpverlening op gang te brengen en contact tussen vader en dochter te bevorderen. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige.