Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
18 januari 2017 van de rechtbank Den Haag.
Gerechtshof Den Haag
In deze zaak staat het verzoek van de vader centraal om zijn kinderen terug te laten keren naar hun gewone verblijfplaats in het buitenland, nadat de moeder hen zonder toestemming had meegenomen naar Nederland. De rechtbank had de terugkeer gelast en de moeder veroordeeld tot betaling van kosten. De moeder ging hiertegen in hoger beroep en verzocht tevens om benoeming van een bijzondere curator voor de minderjarigen.
Het hof overweegt dat er geen belangenconflict tussen de minderjarigen en ouders bestaat dat een bijzondere curator noodzakelijk maakt. De minderjarigen zijn afzonderlijk gehoord en hebben hun mening kenbaar gemaakt, ook via brieven aan een stichting. De moeder stelde dat terugkeer ernstige risico's voor de kinderen zou opleveren, onder meer vanwege de zorgsituatie en mogelijke vervolging van haarzelf in het buitenland. De vader ontkrachtte deze stellingen en benadrukte dat hij bereid is de zorgregeling te hervatten.
Het hof volgt de rechtbank in de conclusie dat de terugkeer moet worden gelast omdat er geen voldoende grond is voor de uitzonderingen in het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De minderjarigen verzetten zich niet in juridische zin tegen terugkeer. De moeder wordt veroordeeld tot betaling van de door de vader gemaakte kosten. De terugkeer wordt gelast uiterlijk 9 maart 2017.
Uitkomst: De terugkeer van de minderjarigen naar hun gewone verblijfplaats wordt gelast en de moeder wordt veroordeeld tot betaling van de gemaakte proceskosten.