ECLI:NL:GHDHA:2017:4311
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging filmverbod en inbeslagneming journalistiek materiaal tijdens doorzoeking
In deze civiele zaak zijn professionele freelance journalisten in hoger beroep gekomen tegen een vonnis dat een filmverbod en de inbeslagneming van hun journalistieke materiaal tijdens een strafrechtelijke doorzoeking bevestigde. De rechter-commissaris had tijdens de doorzoeking een filmverbod opgelegd en bij overtreding daarvan de inbeslagneming van gegevensdragers bevolen. De appellanten stelden dat deze maatregelen onrechtmatig waren en een ontoelaatbare inbreuk maakten op hun recht op vrije nieuwsgaring zoals beschermd door art. 10 EVRM Pro.
Het hof heeft vastgesteld dat het filmverbod en de inbeslagneming berustten op wettelijke grondslagen, met name art. 124 en Pro 125 Sv, en dat de rechter-commissaris als onafhankelijke rechter in laatste instantie had beslist. Het hof oordeelde dat het filmverbod proportioneel en subsidiariteitseisen respecteerde, gezien de noodzaak om opsporingsmethoden en de privacy van opsporingsambtenaren te beschermen. Ook de inbeslagneming werd als minder ingrijpend dan inverzekeringstelling beoordeeld en was gerechtvaardigd vanwege de verdenking van overtreding van art. 184 Sr Pro.
De grieven van appellanten dat geen rechterlijke toetsing had plaatsgevonden en dat lichtere maatregelen mogelijk waren, werden verworpen. Het hof concludeerde dat geen kennelijke schending van art. 10 EVRM Pro had plaatsgevonden en dat de vorderingen tot schadevergoeding en verklaring van onrechtmatigheid moesten worden afgewezen. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd en appellanten werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellanten af wegens ontbreken van een kennelijke schending van artikel 10 EVRM.