De verdachte, werkzaam als financieel adviseur en treasurer bij een woningcorporatie, werd in eerste aanleg veroordeeld voor het aannemen van circa €166.000 aan smeergeld en het opmaken van valse facturen om deze betalingen te verbergen. Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam, maar vernietigt de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan wegens onvoldoende onderbouwing.
Tijdens het hoger beroep heeft het hof de ernst van de feiten, de lange duur van het strafbare gedrag en het maatschappelijk onaanvaardbare karakter ervan meegewogen. Tegelijkertijd is rekening gehouden met het ontbreken van eerdere veroordelingen van de verdachte, zijn erkenning van het laakbare gedrag en de civiele schadevergoeding van €325.000 aan zijn werkgever.
Het hof legt een gevangenisstraf van drie maanden op, waarvan twee jaar voorwaardelijk met een proeftijd, en een taakstraf van 240 uur. Hiermee wordt een evenwicht gevonden tussen de ernst van het delict en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De zaak betreft niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrift gepleegd tussen 2004 en 2014 in diverse Nederlandse plaatsen. Het vonnis benadrukt de schending van vertrouwen van de werkgever en de maatschappij, en de maatschappelijke impact van de publiciteit rondom de zaak.
Het arrest is gewezen door het Gerechtshof Den Haag op 12 oktober 2017 en bevestigt het vonnis, behalve waar het de strafoplegging betreft, die het hof herroept en opnieuw vaststelt.