ECLI:NL:GHDHA:2017:3953

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 augustus 2017
Publicatiedatum
16 januari 2018
Zaaknummer
200.214.905/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 aanhef en onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging schuldsaneringsregeling wegens tekortkoming in sollicitatieverplichting door medische beperkingen

Appellante is bij vonnis van de rechtbank Den Haag onder de schuldsaneringsregeling geplaatst, die later werd beëindigd wegens niet-nakoming van haar sollicitatieverplichting. Zij stelde dat haar medische problemen, waaronder volledige arbeidsongeschiktheid volgens het UWV en behandeling in een pijncentrum, een verschoonbare reden vormden voor haar tekortkoming. De bewindvoerder erkende dat zij vanaf het begin onvoldoende aan haar sollicitatieverplichting had voldaan, maar kon instemmen met verlenging van de regeling.

Het hof oordeelde dat de tekortkoming ernstig was en normaal gesproken tot beëindiging van de regeling zou leiden. Echter, gezien de medische omstandigheden en de inspanningen van appellante om nu wel te solliciteren, achtte het hof een tussentijdse beëindiging te zwaar. Daarom werd de regeling verlengd met zestien maanden, gelijk aan de periode van tekortkoming.

Het hof benadrukte dat dit een laatste kans is en dat appellante strikt moet blijven voldoen aan alle verplichtingen, waaronder het verrichten van vier sollicitaties per maand met bewijsstukken voor de bewindvoerder. Bij hernieuwde tekortkoming zal beëindiging van de regeling volgen. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor voortzetting van de regeling.

Uitkomst: De schuldsaneringsregeling wordt verlengd met zestien maanden vanwege tekortkoming in sollicitatieverplichting door medische beperkingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.214.905/01
Insolventienummer rechtbank : C/09/15/768 R

arrest van 29 augustus 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. W.N. van der Voet te Delft.

Het geding

Bij vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 oktober 2015 is ten aanzien van [appellante] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 20 april 2017. Tegen laatstbedoeld vonnis heeft [appellante] hoger beroep ingesteld bij het op 28 april 2017 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift (met producties). Bij brief van 27 juli 2017 zijn de stukken van de eerste aanleg aan het hof toegezonden en op 15 augustus 2017 en 21 augustus 2017 heeft het hof nog een aantal producties ontvangen. Bij brief van 15 augustus 2017 heeft V.T. Raats, de bewindvoerder, de openbare verslagen en zijn reactie op het beroepschrift aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2017. Verschenen zijn: [appellante] , bijgestaan door haar advocaat, en de bewindvoerder.

De beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellante] beëindigd omdat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen (artikel 350 lid 3 aanhef Pro en onder c Fw).
2. In haar beroepschrift heeft [appellante] aangevoerd dat uit de brief van het UWV van 12 januari 2017 – in het kader van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling – blijkt dat zij significante gezondheidsproblemen heeft, waardoor zij door het UWV thans volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Daarnaast is zij nog altijd onder behandeling bij het Pijncentrum van het Reinier de Graaf ziekenhuis. Verder is [appellante] van oordeel dat zowel de bewindvoerder als de rechtbank aan haar medische beperkingen, in verband met de op haar rustende sollicitatieverplichting, onvoldoende gewicht hebben toegekend. Op grond van de door haar verschafte informatie ten aanzien van haar medische beperkingen is sprake van een verschoonbare reden voor de wijze waarop zij tot op heden aan haar sollicitatieverplichting invulling heeft gegeven. [appellante] verzoekt het hof de schuldsaneringsregeling met een jaar te verlengen. Sinds maart 2017 solliciteert [appellante] naar een baan.
3. De bewindvoerder heeft verklaard dat [appellante] , die van 29 januari 2016 tot 29 januari 2017 voor 16 uur per week was vrijgesteld van de sollicitatieverplichting, vanaf aanvang van de schuldsaneringsregeling niet, althans onvoldoende aan die verplichting heeft voldaan. De in het dossier tegenwoordige medische bescheiden onderschrijven geenszins algehele arbeidsongeschiktheid gedurende de periode van 28 oktober 2015 tot omstreeks januari 2017. In deze periode is [appellante] door de bewindvoerder gewezen op strikte nakoming van de sollicitatieverplichting.
Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard te kunnen instemmen met een verlenging van de schuldsaneringsregeling, zodat [appellante] de tekortkoming in de sollicitatieverplichting kan compenseren.
4. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [appellante] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen. De tekortkoming is van zodanige ernst dat zij in beginsel dient te leiden tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Niettemin bestaat in het onderhavige geval aanleiding voor een uitzondering. Het hof is er voldoende van overtuigd geraakt dat [appellante] nu wel alles in het werk stelt om haar misstap te corrigeren door thans wel te voldoen aan haar sollicitatieverplichting. Ter zitting heeft [appellante] verklaard dat zij vanwege haar medische en psychosociale problemen niet heeft kunnen voldoen aan haar sollicitatieverplichting, maar dat zij mentaal progressie heeft gemaakt en thans om die reden ruimte heeft om te kunnen solliciteren. Gelet op deze omstandigheden alsmede de omstandigheid dat de bewindvoerder heeft verklaard te kunnen instemmen met een verlenging van de schuldsaneringsregeling, acht het hof een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling een te zware sanctie voor het tekortschieten en zal het [appellante] in de gelegenheid stellen om de tekortkoming in de sollicitatieverplichting te compenseren door de schuldsaneringsregeling met zestien maanden – het aantal maanden waarin zij in de sollicitatieverplichting is tekortgeschoten – te verlengen.
5. Het hof wijst [appellante] er wel met klem op dat haar hiermee een laatste kans wordt geboden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen en dat [appellante] dient te blijven voldoen aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Indien de verplichtingen wederom niet stipt worden nagekomen en de bewindvoerder niet onverwijld wordt voorzien van alle relevante informatie, zal dit alsnog leiden tot beëindiging van de regeling dan wel het weigeren van de schone lei. Een en ander betekent voor de sollicitatieverplichting dat, zolang er geen (volledige) vrijstelling is verleend door de rechter-commissaris, die verplichting onverkort op [appellante] van toepassing blijft en dat zij dient te solliciteren conform de eisen die de schuldsaneringsregeling daaraan stelt, te weten: het verrichten van vier sollicitaties per maand, waarvan de bewijsstukken waaronder de vacature, de reactie daarop van [appellante] voorzien van haar motivatie, alsmede de bevestigingen van ontvangst, uitnodigingen of afwijzingen van de werkgevers, dienen te worden toegestuurd aan de bewindvoerder.
6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 april 2017;
en opnieuw rechtdoende:
- verlengt de looptijd van de schuldsaneringsregeling met zestien maanden, derhalve tot 28 april 2020, waarbij [appellante] dient te blijven voldoen aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter voortzetting van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. F. Damsteegt-Molier, P.W. van Baal en I.C. Kranenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.