ECLI:NL:GHDHA:2017:3952

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
29 augustus 2017
Publicatiedatum
16 januari 2018
Zaaknummer
200.215.210/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot schuldsaneringsregeling na detentie en financiële herstructurering

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Den Haag. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Een groot deel van de schulden hield verband met een detentieperiode en een schuld aan de gemeente wegens onrechtmatige uitkeringsontvangst.

Het hof heeft beoordeeld dat het overgrote deel van de schulden buiten de vijfjaarstermijn is ontstaan en dat schulden tijdens detentie niet worden meegewogen in de goede trouw beoordeling. Hoewel onvoldoende aannemelijk is dat appellant te goeder trouw was ten aanzien van de schuld aan de gemeente, is wel vastgesteld dat hij inmiddels zijn financiële en persoonlijke situatie onder controle heeft gekregen zoals bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro.

Appellant werkt gemiddeld 32 uur per week, heeft budgetbeheer en wordt begeleid door schuldhulpverlening en reclassering. Het hof acht de positieve ontwikkelingen doorslaggevend en concludeert dat appellant aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zal kunnen voldoen. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit voor appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.215.210/01
Rekestnummer rechtbank : C/09/525834 / FT RK 17/161

arrest van 29 augustus 2017

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J.M. Tason Avila te Leiden.

Het geding

Bij verzoekschrift (met productie), ingekomen ter griffie van het hof op 3 mei 2017, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 april 2017, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij V-formulier van 7 juni 2017 zijn de stukken van de eerste aanleg aan het hof toegezonden en op 17 augustus 2017 is nog een aantal producties door het hof ontvangen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2017. Verschenen zijn: [appellant] , bijgestaan door zijn advocaat, [schuldhulpverlener] (schuldhulpverlener bij Schuldbemiddeling Nederland) en [de begeleidster] (begeleidster van Palier).

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 24 januari 2017 bij de rechtbank een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde bijlage ex artikel 285 Faillissementswet Pro (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 256.249,85.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen. Een fors aantal schulden houdt verband met het plegen van een strafbaar feit dat heeft geleid tot een langdurige gevangenisstraf (2011-2014) en waardoor [appellant] in financiële problemen is geraakt. Daarnaast heeft [appellant] een uitkering ontvangen terwijl hij inkomsten uit arbeid had, hetgeen heeft geleid tot een schuld aan de gemeente Den Haag.
3. De grieven en argumenten van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.
Het kan [appellant] niet helemaal worden verweten dat hij tijdens zijn detentie zijn vaste lasten niet meer kon voldoen. Toen [appellant] in detentie zat is hij gescheiden van zijn vrouw. Ook uit de echtscheiding zijn veel schulden ontstaan.
Ten aanzien van de schuld aan de gemeente Den Haag heeft [appellant] aangevoerd dat hij geen opzet heeft gehad om deze schuld te laten ontstaan.
Verder doet [appellant] een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro. Er is sprake van een bestendige gedragsverandering ten opzichte van de periode waarin de schulden zijn ontstaan. Na zijn detentie heeft [appellant] er alles aan gedaan om zijn leven weer op de rit te krijgen. [appellant] heeft sinds juni 2015 een baan en werkt gemiddeld 32 uur per week. Daarnaast wordt hij ondersteund door verscheidene instanties. Zo is er tot het jaar 2022 ondersteuning vanuit Palier voor wat betreft de bemiddeling in de schuldhulpverlening en staat hij tot 2022 onder toezicht van de reclassering. Ook heeft [appellant] budgetbeheer.
4. Het hof zal eerst bezien of voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ingediend als bedoeld in artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw. Die goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan de schuldenaar dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
5. Het overgrote deel van de schulden (totale schuldenlast € 256.249,85) is ontstaan buiten de vijfjaarstermijn. Voor zover (een deel van) deze schulden (is) zijn ontstaan in de periode van de detentie van [appellant] oordeelt het hof dat deze schulden niet worden meegenomen in de beoordeling van de goede trouw.
6. Wat de schulden betreft die binnen de vijfjaarstermijn zijn ontstaan oordeelt het hof als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onvoldoende aannemelijk geworden dat [appellant] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van zijn schuld aan de gemeente Den Haag ad € 5.552,51 (juni 2015). Dit staat in beginsel aan toelating tot de schuldsaneringsregeling van [appellant] in de weg.
7. Naar het oordeel van het hof is echter voldoende aannemelijk geworden dat [appellant] zowel zijn financiële als zijn persoonlijke situatie inmiddels onder controle heeft gekregen als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro. [appellant] is met name in de problemen gekomen doordat hij in detentie zat. Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat [appellant] gedurende, dan wel na zijn detentieperiode, de ernst van zijn situatie heeft ingezien en concrete maatregelen heeft getroffen. Zo heeft hij zich met succes ingespannen om een baan te vinden. Hij werkt thans gemiddeld 32 uur per week en hij zet zich in om extra uren te werken. Hij is geen nieuwe (consumptieve) schulden aangegaan. Verder heeft [appellant] sinds begin dit jaar budgetbeheer, waarbij hij in korte tijd € 1.800,-- heeft weten te sparen. Voorts blijkt uit de verklaring van 16 januari 2017 van [reclasseringswerker] dat het reclasseringstoezicht, dat sinds september 2013 van toepassing is, goed loopt, [appellant] de afspraken met de reclassering goed nakomt en zich beleefd en meewerkend opstelt. Ter zitting heeft [de begeleidster] van Palier verklaard dat [appellant] thans ruim drie jaar wordt begeleid door Palier en dat hij altijd zijn afspraken nakomt. Gedurende het schuldsaneringstraject zal zowel het reclasseringstoezicht als de begeleiding vanuit Palier voortgezet worden.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de positieve ontwikkelingen die zich de laatste jaren ten aanzien van [appellant] hebben voorgedaan doorslaggevend dienen te zijn. [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft gekregen en dat hij een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt, die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Daarmee acht het hof ook voldoende aannemelijk dat [appellant] zal kunnen voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro slaagt.
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

Beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 26 april 2017;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. F. Damsteegt-Molier, P.W. van Baal en I.C. Kranenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2017 in aanwezigheid van de griffier.