ECLI:NL:GHDHA:2017:3952
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling na detentie en financiële herstructurering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Den Haag. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Een groot deel van de schulden hield verband met een detentieperiode en een schuld aan de gemeente wegens onrechtmatige uitkeringsontvangst.
Het hof heeft beoordeeld dat het overgrote deel van de schulden buiten de vijfjaarstermijn is ontstaan en dat schulden tijdens detentie niet worden meegewogen in de goede trouw beoordeling. Hoewel onvoldoende aannemelijk is dat appellant te goeder trouw was ten aanzien van de schuld aan de gemeente, is wel vastgesteld dat hij inmiddels zijn financiële en persoonlijke situatie onder controle heeft gekregen zoals bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw Pro.
Appellant werkt gemiddeld 32 uur per week, heeft budgetbeheer en wordt begeleid door schuldhulpverlening en reclassering. Het hof acht de positieve ontwikkelingen doorslaggevend en concludeert dat appellant aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zal kunnen voldoen. Het beroep op de hardheidsclausule slaagt, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit voor appellant.