Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Beschikking van 31 oktober 2017
[appellant] ,
[naam] Bankiers N.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
a. [appellant] is in 2003 een effectenbemiddelingsovereenkomst aangegaan met de rechtsvoorgangster van [geintimeerde] . In 2008 is tussen [appellant] en [geintimeerde] een conflict ontstaan over een door [geintimeerde] opgezette beleggingsconstructie. Op 19 september 2008 is [geintimeerde] overgegaan tot liquidatie van de effectenportefeuille van [appellant] . Bij brief van 3 oktober 2008 heeft [geintimeerde] [appellant] hierover geïnformeerd en hem medegedeeld dat op zijn beleggingsrekening een debetstand van € 4.548.390,47 was ontstaan.
b. [appellant] heeft [geintimeerde] gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en (in conventie) een verklaring voor recht gevorderd dat [geintimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens hem, althans onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, en dat hij niet gehouden is tot voldoening van het tekort op zijn rekeningen. In reconventie heeft [geintimeerde] betaling van het tekort van € 4.548.390,47 gevorderd. Bij vonnis van 19 november 2014 heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en de vordering van [geintimeerde] toegewezen. Tegen dit vonnis heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het hof Amsterdam heeft in deze zaak nog geen uitspraak gedaan.
c. Bij brief van 15 juli 2016 heeft [appellant] bij [geintimeerde] op de voet van artikel 35 Wet Pro bescherming persoonsgegevens (Wbp) een verzoek ingediend tot het verschaffen van (i) een overzicht van op hem betrekking hebbende persoonsgegevens die door [geintimeerde] worden verwerkt, (ii) een afschrift van tussen hem en zijn accountmanager in een chatroom voor beleggers ([X]) gewisselde chatberichten en (iii) een afschrift van het memo/de instructie van de Interne Audit Dienst omtrent de inrichting van zijn account. [geintimeerde] bij brief van 29 juli 2016 geweigerd aan dit verzoek te voldoen.
d. Bij brief van 11 augustus 2016 heeft [appellant] op de voet van artikel 46 lid 1 Wbp Pro een verzoek tot handhaving ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP). Nadat de AP bij besluit van 7 september 2016 het verzoek had afgewezen, heeft [appellant] op 30 september 2016 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit op bezwaar van 27 januari 2017 heeft de AP zijn eerdere besluit gedeeltelijk herroepen en het handhavingsverzoek toegewezen voor zover het ziet op het onder (i) verzochte en voor het overige afgewezen. Bij brief van dezelfde datum heeft de AP aan [geintimeerde] een voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom verzonden. Bij besluit van 11 mei 2017 heeft de AP aan [geintimeerde] een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat [geintimeerde] de volgende gegevens aan [appellant] dient te verstrekken:
(1) een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de betrokkene betreffende persoonsgegevens;
(3) de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft;
(4) de ontvangers of categorieën van ontvangers; alsmede
(5) de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.
kunnengebeuren – en dat een verplichting alleen bestaat als de rechter dat bepaalt. Ook in dat laatste geval zal de verantwoordelijke onder omstandigheden, in het belang van derden, bepaalde passages mogen afschermen.
intern memovan het hoofd van de Interne Audit dienst van [geintimeerde] inzake de administratieve organisatie gedateerd 18 april 2006. Het onder C verzochte betreft voorts een memo inzake de AO/IC, dit is de Administratie Organisatie/Interne Controle. Het komt het hof voor dat beide documenten interne memo’s zijn. Volgens de toelichting op artikel 7.1 van de Gedragscode, hiervoor onder 11 geciteerd, hoeft van documenten waarin persoonlijke gedachten van medewerkers zijn neergelegd die zijn bedoeld voor intern overleg en beraad, geen afschrift te worden verstrekt (zie ook HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, rov. 3.14). Om die reden zal het onder C verzochte worden afgewezen.
Beslissing
- beveelt [geintimeerde] om binnen vier weken na de datum van dit arrest aan [appellant] ter beschikking te stellen een (afgeschermd) afschrift van het forensisch rapport, tussen partijen genoegzaam bekend, in zodanige vorm dat hij zijn daarin vermelde persoonsgegevens kan controleren;
- bepaalt dat in het geval dat [geintimeerde] het hiervoor gegeven bevel overtreedt, zij voor elke dag dat zij in overtreding is een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- tot een maximum van € 50.000,--;
- wijst het meer of anders verzochte af;
- veroordeelt [geintimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 619,-- aan verschotten en € 904,-- aan salaris van de advocaat;
- veroordeelt [geintimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op € 313,-- aan verschotten en € 1.788,-- aan salaris van de advocaat;
- bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.