In deze civiele zaak stond de opzegging van een duurovereenkomst tussen partijen centraal. De rechtbank had eerder geoordeeld dat een opzegtermijn van twaalf maanden redelijk en billijk was en kende een schadevergoeding toe aan AWI wegens het niet in acht nemen van deze termijn. De appellanten stelden zich op het standpunt dat een termijn van zes maanden voldoende was en betwistten onder meer de hoogte van de schadevergoeding.
Het hof bevestigde dat de overeenkomst een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd betrof, die opzegbaar was onder inachtneming van redelijkheid en billijkheid. Uit de omstandigheden, waaronder de langdurige samenwerking en de grote afhankelijkheid van AWI van de appellanten, volgde dat een opzegtermijn van twaalf maanden passend was. Een termijn van zes maanden was onvoldoende en een termijn van dertig maanden niet gerechtvaardigd.
De schadevergoeding werd vastgesteld op basis van de gemiddelde netto jaarwinst van AWI over de jaren 2011 tot 2013, waarbij rekening werd gehouden met het aandeel van de appellanten in de omzet. De vordering tot terugbetaling van verleende kortingen werd afgewezen omdat deze reeds was voldaan. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de hoofdelijkheid van één appellant betrof en bepaalde dat alleen drie appellanten hoofdelijk aansprakelijk waren.
De kosten van het principaal hoger beroep werden gecompenseerd en AWI werd veroordeeld in de kosten van het incidenteel hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 3 oktober 2017 door het gerechtshof Den Haag.