Appellant stelde bij de rechtbank een verzoek in tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling (dwangakkoord) en tot toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP). De rechtbank wees het verzoek tot dwangakkoord af, maar kende de WSNP toe. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat appellant ontvankelijk was in zijn beroep, mede gelet op een arrest van de Hoge Raad uit 2012. De rechtbank had appellant ten onrechte niet gevraagd of hij zijn verzoek tot WSNP wilde handhaven indien het dwangakkoord werd afgewezen, waardoor het hof aannam dat het verzoek niet was gehandhaafd.
De totale schuldenlast van appellant bedroeg circa €15.600, waarvan Woonpartners een vordering had van ruim €2.300. Appellant bood een schuldregeling aan waarbij preferente schuldeisers 100% en concurrente schuldeisers 94,49% van hun vorderingen zouden ontvangen. Het hof achtte dit aanbod het maximaal haalbare en oordeelde dat Woonpartners in redelijkheid niet tot weigering van instemming met het akkoord kon komen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en beval Woonpartners in te stemmen met de schuldregeling. Daarbij nam het hof mee dat appellant zich maximaal inspant, onder meer door overwerk, en dat een faillissement of WSNP geen beter perspectief bood voor Woonpartners. Woonpartners was de enige schuldeiser die weigerde mee te werken.
Het arrest werd uitgesproken op 23 mei 2017 door het gerechtshof Den Haag.