Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 29 augustus 2017
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grieven 1, 2, 3 en 5zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de weigering van de staatssecretaris om een machtiging verlof af te geven in strijd is met artikel 3 EVRM Pro (grieven 1 tot en met 3), respectievelijk met artikel 14 in Pro samenhang met artikel 5 EVRM Pro (grief 5).
Grief 4luidt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het aan de tbs-rechter is om te beoordelen of in het kader van de tenuitvoerlegging van de tbs sprake is van een schending van (een van de bepalingen van) het EVRM, en niet aan de voorzieningenrechter als restrechter. De Staat betoogt dat er eerst aanleiding kan bestaan tot het treffen van een voorziening als de onderhavige nadat de tbs-rechter heeft geoordeeld dat sprake is van een uitzichtloze situatie.
ten tijde van het arrest van het hofbij die voorziening een spoedeisend belang heeft (toetsing
ex nunc, zie o.a. ECLI:NL:HR:2002:AE3437 en ECLI:NL:HR:2002:AE4553). Duidelijk is dat de situatie is veranderd sinds de procedure in eerste aanleg. De opnamefaciliteiten in Suriname zijn gewijzigd en het hebben van een sociaal netwerk aldaar is niet langer een noodzakelijke voorwaarde voor opname in het psychiatrisch centrum. Weliswaar is nog niet zeker dat de door de Staat beoogde repatriëring van [geïntimeerde] daadwerkelijk zal doorgaan, maar mede gelet op hetgeen tijdens het pleidooi door de Staat is aangevoerd en door [geïntimeerde] niet (althans niet voldoende gemotiveerd) is betwist, is voldoende aannemelijk dat in elk geval reëel uitzicht op repatriëring bestaat. Vaststaat bovendien – namens de Staat is dit ter zitting uitdrukkelijk erkend – dat de thans door [geïntimeerde] genoten begeleide verloven (in elk geval mede) strekken ten behoeve van repatriëring en dat zij zullen worden voortgezet zolang er uitzicht is op repatriëring. Dit betekent dat op dit moment geen spoedeisend belang bestaat bij de gevraagde voorziening.
“very weighty arguments”) hebben om discriminatie op grond van nationaliteit proportioneel te doen zijn en er moet bovendien iets tegenover staan voor de vreemdeling. Het is naar voorlopig oordeel van het hof niet proportioneel om bij het ontbreken van een verblijfsvergunning en de (voorlopige) onmogelijkheid tot repatriëring zelfs geen tijdelijk begeleid verlof toe te staan, terwijl dit door de betrokken kliniek wel verantwoord en passend wordt geacht. Afgezien daarvan is van voldoende compensatie geen sprake. De inspanningen om tot repatriëring te komen kunnen niet als zodanige compensatie worden gezien; het gaat hier immers om de vraag welke compensatie wordt geboden als repatriëring niet mogelijk is en de tenzij-regel van artikel 2 lid 6 sub a Verlofregeling Pro TBS dus niet van toepassing is. Het feit dat incidenteel begeleid verlof op humanitaire gronden wel mogelijk is vormt evenmin voldoende compensatie. Zoals de naam al aangeeft kan dergelijk verlof slechts incidenteel worden toegestaan, in bijzondere situaties.