Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 14 februari 2017
[naam], wonende te [woonplaats],
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
Het geding
De beoordeling van het hoger beroep
eerste griefkomt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat naar vaste jurisprudentie het in de Aanwijzing executie (Staatscourant 2014, nr. 37617) verwoorde beleid van het CJIB niet onrechtmatig is. Onder verwijzing naar jurisprudentie van het EHRM betreffende art. 5 EVRM Pro (Vasileva/Denemarken, EHRM 25 september 2003, nr. 52792/99 en Göthlin/Zweden, EHRM 16 oktober 2014, nr. 8307/11) betoogt [appellant], voor wie vrijheidsontneming dreigt, dat de Staat verplicht is een belangenafweging te maken om te bepalen of de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis het meest aangewezen en proportionele middel is om het doel, in dit geval nakoming van de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, te bereiken. Met de schadevergoedingsmaatregel wordt herstel in de rechtmatige toestand beoogd; volgens de wetgever heeft de maatregel geen punitief karakter. Daarom is volgens [appellant] hechtenis in geval van betalingsonmacht, waarvan hier sprake is, niet geaccepteerd; leedtoevoeging is dan immers het directe en enige effect. Verder moet de gezondheidstoestand van [appellant] bij de belangenafweging worden betrokken. Wanneer die afweging van belangen wordt gemaakt, weegt het belang van [appellant] om zijn vrijheid te behouden zwaarder dan het belang van de Staat om de hechtenis ten uitvoer te leggen. Voor zover het in de Aanwijzing executie vervatte beleid niet toelaat dat het CJIB een dergelijke belangenafweging maakt, is dit beleid onrechtmatig, want in strijd met de vaste jurisprudentie van het EHRM, aldus nog steeds [appellant].
derde griefheeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is gebleken van dermate bijzondere omstandigheden dat tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis door de Staat misbruik van recht oplevert. Er is wel sprake van misbruik van recht, want de Staat had een belangenafweging moeten maken en heeft geen belang bij de executie. Van een verplichting de executie voort te zetten is volgens [appellant] geen sprake. Met de
vierde griefbetoogt [appellant] dat maatwerk moet kunnen worden geleverd, hetgeen uit de wetsgeschiedenis volgt. Volgens de minister zou de schadevergoedingsmaatregel
kunnenworden vervangen door hechtenis, waaruit volgt dat voor het CJIB geen verplichting bestaat om in alle gevallen waarin niet volledig wordt betaald onverkort over te gaan tot tenuitvoerlegging van hechtenis.
tweede griefheeft betrekking op de wijze waarop het CJIB het in de Aanwijzing executie verwoorde beleid heeft toegepast. Volgens [appellant] is die onrechtmatig. [appellant] meent dat in zijn geval sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 9 van bijlage 3 bij de Aanwijzing executie, welke omstandigheden in zijn geval een betalingsregeling van meer dan 36 maanden rechtvaardigen. In dat verband wijst [appellant] erop dat hij het WSNP-traject heeft afgerond met een schone leiverklaring, dat hij sindsdien een bijstandsuitkering geniet die gekort is met toepassing van de kostdelersnorm en dat op die uitkering beslag is gelegd. [appellant] meent dat het uitvaardigen van een arrestatiebevel niet de juiste volgende stap in de executie is.