Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de toen nog minderjarige jongmeerderjarige aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 655,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- het verzoek van de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud te bepalen op € 7.000,- per maand, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bijdrage met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, afgewezen.
het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en de kinderalimentatie voor de jongmeerderjarige te bepalen op nihil, althans op € 345,- per maand met ingang van datum echtscheidingsbeschikking.
Partneralimentatie
- de vrouw heeft de man meermalen beschuldigd van het vervalsen van haar handtekening;
- de vrouw heeft de man beschuldigd - in zijn visie ten onrechte - van mishandeling;
- de vrouw heeft in zowel de privé als de zakelijke omgeving van de man verhalen verspreid over zijn seksuele geaardheid;
- de vrouw heeft diverse aangiftes tegen de man gedaan;
- de vrouw heeft de kinderen van partijen tegen de man opgezet.
€ 300,- per maand dient te bedragen en dat voor de overige posten € 200,- per maand in aanmerking kan worden genomen. De man stelt de behoefte van de vrouw dan op € 1.218,25 netto.
€ 1.712,- minus € 954,- = € 758,- netto per maand.
€ 143.754,-. De liquide middelen zijn sterk afgenomen en de overige reserves meer dan gehalveerd. De man heeft tevens de jaarrekening 2016 van [naam vennootschap 2] overgelegd. Hieruit blijkt een negatief resultaat van € 848,-. De actiefzijde van de balans bestaat enkel uit een vordering van € 49.886,-, te onderscheiden in een vordering in rekening-courant op de man van € 22.196,- en een vordering in rekening-courant op [naam vennootschap] van € 27.690,-. Het hof is van oordeel dat op basis van deze cijfers een dividenduitkering uit [naam vennootschap] niet mogelijk was. Er dienden reserves in de vennootschap achter te blijven ter dekking van eventuele nieuwe investeringen en het salaris van de man. Dit nog daargelaten het feit dat voor een dividenduitkering een besluit van de algemene vergadering van de vennootschap is vereist en dat de vennootschap de dwingendrechtelijke bepalingen van boek 2 BW ter zake aan te houden reserves in acht moet nemen. Op het moment van de betaalbaarstelling van het dividend dient het bestuur van de vennootschap een uitkeringstest te doen. Het hof acht de overgelegde jaarrekeningen 2016 voldoende betrouwbaar nu deze op basis van een samenstellingsverklaring zijn opgesteld en aan inmiddels verscherpte richtlijnen moeten voldoen. Tevens heeft de vrouw naar het oordeel van het hof niet gemotiveerd weersproken dat de man per 1 januari 2017 uit dienst van de B.V. is getreden.
Alimentatie jongminderjarige
A.S. Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. T. de Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2017.